Op 21 maart 2024 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 13 van de wet van 25 december 2023 “tot wijziging van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement en tot wijziging van het oude Burgerlijk Wetboek, teneinde jongeren van zestien en zeventien jaar in staat te stellen aan deze verkiezing deel te nemen zonder voorafgaande registratieformaliteiten” geschorst.[1]
Met dit arrest bevestigt het Hof opnieuw het belang van het kiesrecht als fundament van een democratische samenleving en een rechtsstaat. Het weigert categorisch om het electoraat te fragmenteren en van jonge kiezers tweederangsburgers te maken.
Toen de wetgever in juni 2022 jongeren wilde laten deelnemen aan het democratische leven, stelde hij het kiesrecht open voor jongeren van 16 en 17 jaar die zich zouden inschrijven om te stemmen. Toen het Grondwettelijk Hof zich over deze maatregel moest uitspreken, oordeelde het dat de voorwaarde van voorafgaande inschrijving een belemmering vormde voor de effectieve uitoefening van het recht dat aan deze jonge kiezers werd toegekend.[2]
De wetgever was er als de kippen bij om het boek terug op de tekentafel te leggen en koos er daarom voor om te voorzien in de automatische inschrijving van jonge kiezers op de kiezerslijsten. Deze jonge kiezers zouden echter, in tegenstelling tot oudere kiezers, niet verplicht zijn om te stemmen.
Op dit punt is bij het Hof een vordering tot schorsing (en nietigverklaring) van de wet aanhangig gemaakt.
In het arrest 35/2024 roept het Hof de wetgever op om het kiesrecht ten volle te durven uitbreiden naar jonge kiezers. In deze geest neemt het Hof nota van de door de wetgever geuite wil om jonge kiezers een reëel recht toe te kennen om deel te nemen aan het democratische leven. Het Hof wijst er ook op dat in België de doeltreffendheid van het kiesrecht wordt gewaarborgd door het verplichte karakter ervan. Het hof ziet niet in – en de wetgever heeft niet uitgelegd hoe – dat de stem van jonge kiezers moet worden verwaarloosd door een facultatief karakter.
Het is juist dat de wettelijke sanctieregeling varieert naargelang men ouder of jonger is dan 18 jaar. Natuurlijk zijn jongeren jong en mogen ze niet worden blootgesteld aan “ongewenste” druk en moeten ze worden aangemoedigd om zich via de stembus te uiten. Maar in België, zo wijst het Hof erop, “[is het kiesrecht] een aspect van de democratische rechtsstaat dat dermate essentieel is dat de vrijwaring ervan alle burgers aanbelangt” (B.6.4.). Het is niet verantwoord dat de stem van sommige mensen op basis van hun leeftijd minder telt dan die van anderen.
Het belang van het kiesrecht als kenmerk van het burgerschap blijkt niet alleen uit het besluit van het arrest, maar ook uit de redenering van het Hof.
In dit arrest heeft het Hof op verschillende niveaus een juridische redenering ontwikkeld die is gebaseerd op het wezenlijke of oorspronkelijke karakter van het kiesrecht.
In de eerste plaats blijkt de cruciale waarde die aan het kiesrecht wordt gehecht, uit de analyse van het Grondwettelijk Hof van de ontvankelijkheid van verzoekers beroep. Gelet op het belang van het betrokken recht kan het belang worden vermoed.
Deze zelfde waarde rechtvaardigt een strengere beoordeling van de rechtvaardiging van het criterium voor het onderscheid tussen kiezers. Het Hof herhaalt dat het kiesrecht “een fundamenteel politiek recht is in de representatieve democratie en van cruciaal belang is voor het vestigen en het handhaven van de grondslagen van de democratie. Aangezien het verplichte of facultatieve karakter van de deelname aan de stemming een wezenlijk kenmerk van het kiesrecht is, moet een fragmentatie van het kiezerskorps door dwingende motieven van algemeen belang worden verantwoord.” (B.12.2).
Een derde uitdrukking van het belang van de betrokken waarden ligt in de quasi-automaticiteit van de ernst van het aangevoerde vooroordeel: “Het nadeel dat zou ontstaan uit verkiezingen die op een ongrondwettige basis zouden worden georganiseerd, is noodzakelijkerwijze ernstig omdat het zou gaan om een aantasting van het recht zelf om te kiezen en te worden verkozen, essentieel voor het bestaan zelf van een representatieve democratie.” (B.16.3).
Ten slotte concludeert het Grondwettelijk Hof dat, gelet op het wezenlijke karakter van het kiesrecht voor de democratische rechtsstaat en het risico van het houden van verkiezingen op ongrondwettige gronden, slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat de bestreden bepaling niet wordt opgeschort (B.17.3.).
Zowel in zijn boodschap als in zijn methode herinnert het Hof ons eraan: “Er is in de Staat geen onderscheid van standen. De Belgen zijn gelijk voor de wet.”
Op 1 oktober 2023 trad het Vlaams decreet van 16 juni 2023 “tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid” in werking.[1] Het nieuwe decreet heeft tot gevolg dat dezelfde ontslagregeling van toepassing is op statutaire en contractuele personeelsleden bij Vlaamse gemeente-, OCMW- en provinciebesturen. Deze Vlaamse besturen kunnen toepassing maken van de nieuwe regeling, zonder dat ze hiervoor hun lokale rechtspositieregeling moeten wijzigen.
De beëindiging van een statutaire tewerkstelling is nu dus mogelijk via opzegging omwille van een dringende reden of door overmacht.[2] Bovendien kan een tuchtprocedure sinds 1 oktober niet meer leiden tot een ontslag van ambtswege of een afzetting. Artikel 200, §1, 4° en 5° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur werd immers opgeheven zonder dat er overgangsbepalingen werden voorzien.[3]
Op 17 november 2023, 29 december 2023, 9 januari 2024, 10 januari 2024 en 11 januari 2024 werden er verschillende beroepen tot vernietiging van het Vlaams Ontslagdecreet van 16 juni 2023 ingediend bij het Grondwettelijk Hof (rolnrs. 8109, 8134, 8139, 8140 en 8141).[4] Deze beroepen kennen geen schorsende werking zodat de nieuwe ontslagregeling voor lokale en provinciale besturen (voorlopig) blijft gelden. Toch is enige voorzichtigheid geboden, want wat gebeurt er als het Grondwettelijk Hof het Vlaams Ontslagdecreet vernietigt?
Een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof heeft een absoluut gezag van gewijsde vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Het gaat dan over een gezag van gewijsde erga omnes, wat impliceert dat niet enkel de betrokken procespartijen, maar ook alle rechtscolleges, burgers en overheden die belast zijn met de uitvoering en de toepassing van de bestreden bepaling(en), gebonden zijn door het vernietigingsarrest.[5] Indien het Grondwettelijk Hof het Vlaams Ontslagdecreet van 16 juni 2023 (al dan niet gedeeltelijk) zou vernietigen, verdwijnen de betrokken bepalingen bijgevolg uit de rechtsorde en worden ze in principe geacht in rechte nooit te hebben bestaan.
Handelingen die hun rechtsgrond vinden in de vernietigde bepalingen kunnen deze rechtsgrond dus verliezen, tenzij het Grondwettelijk Hof de gevolgen van de vernietigde bepalingen (tijdelijk) zou handhaven. Artikel 8 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof laat inderdaad toe dat het Hof, bij wege van algemene beschikking, de gevolgen van de vernietigde bepalingen bepaalt die als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd dienen te worden voor de termijn die het Hof uitdrukkelijk vaststelt. Wanneer het Grondwettelijk Hof een decreet vernietigt, kunnen de rechten en plichten die zijn ontstaan uit dat decreet sinds de inwerkingtreding ervan, dus blijven gelden voor een bepaalde periode.[6]
Wanneer er geen handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen van het Vlaams Ontslagdecreet van 16 juni 2023 zou worden voorzien, is de kans groot dat de eventuele vernietiging van deze bepalingen zou leiden tot de re-integratie van statutaire ambtenaren die overeenkomstig de nieuwe ontslagregeling werden ontslagen in de betrokken provinciale of lokale besturen. Vervolgens is het ook mogelijk dat de wedden die gedurende de periode tussen het ontslag en de re-integratie niet werden toegekend, retroactief moeten worden uitbetaald.
Immers kan, niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen reeds verstreken zijn, tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een decreet die door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.[7] Concreet zou dit willen zeggen dat er na de publicatie van het eventuele vernietigingsarrest een nieuwe termijn van zestig dagen zou lopen om een procedure op te starten tegen de administratieve rechtshandelingen die steunen op de vernietigde bepalingen van het Vlaams Ontslagdecreet.
Kortom, het Vlaams Ontslagdecreet van 16 juni 2023 heeft een grote impact gehad op provinciale en lokale besturen in Vlaanderen. Hoewel het momenteel van kracht is, blijft het belangrijk om de ontwikkelingen rondom de verschillende vernietigingsberoepen bij het Grondwettelijk Hof nauwlettend op te volgen.
Mocht u vragen of bedenkingen hebben, laat het ons weten!
Ca y est, la loi du 13 mars 2024 sur la motivation des licenciements et des licenciements manifestement déraisonnables des travailleurs contractuels du secteur public a été publiée au Moniteur belge le 20 mars 2024 ! Cette loi prévoit ainsi un régime analogue à celui établi, dans le secteur privé, par la CCT n° 109.
Bref retour en arrière
Il faut remonter à la loi du 26 décembre 2013 sur le statut unique[1] pour comprendre l’origine de cette nouveauté législative. L’article 38 de la loi du 26 décembre 2013, modifiant l’article 63 de la loi sur les contrats de travail, prévoyait que le régime applicable au licenciement abusif des ouvriers cesserait lorsqu’une convention collective du Conseil national du Travail relative à la motivation du licenciement serait adoptée pour les travailleurs du « secteur privé »[2], tandis qu’un régime analogue devait également être établi pour le « secteur public »[3].
Si la CCT n° 109 est entrée en vigueur le 1er janvier 2014, le régime « analogue » pour le secteur public se faisait attendre.
Cette différence de traitement entre secteur public et privé a été pointée du doigt par la Cour constitutionnelle dans son arrêt n° 101/2016 du 30 juin 2016. Par cet arrêt, la Cour a ainsi exhorté le législateur à adopter un régime de protection des travailleurs du secteur public contre le licenciement manifestement déraisonnable et a indiqué que « dans l’attente de l’intervention du législateur, il appartient aux juridictions, en application du droit commun des obligations, de garantir sans discrimination les droits de tous les travailleurs du secteur public en cas de licenciement manifestement déraisonnable, en s’inspirant, le cas échéant, de la convention collective de travail n° 109 »[4].
Par ailleurs, la Cour constitutionnelle, contredisant en cela la Cour de cassation[5], a estimé, dans un arrêt rendu le 6 juillet 2017[6], que les dispositions légales de la loi du 3 juillet 1978 relatives au licenciement moyennant préavis devaient être interprétées en ce sens qu’elles n’empêchent pas la tenue d’une audition préalable au licenciement pour un motif lié à la personne ou au comportement de la personne[7]. Bis repetita dans un arrêt rendu le 22 février 2018, dans lequel la Cour a précisé qu’une audition préalable devait également être organisée en cas de licenciement pour motif grave lié à la personne ou au comportement de la personne [8].
Le régime mis en place par la loi du 13 mars 2024
La loi commentée a pour objectif de se conformer aux critiques de la Cour constitutionnelle[9].
La loi est applicable aux travailleurs sous contrat de travail dont l’employeur ne relève pas du champ d’application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires. La loi n’est cependant pas applicable aux licenciements survenant :
La loi ne vise pas non plus les cas de licenciement pour motif grave ou les cas de licenciement de travailleurs pour lesquels l’employeur doit suivre une procédure spéciale de licenciement fixée par ou en vertu d’une norme législative.
Trois mesures sont consacrées.
Désormais, l’employeur public qui envisage de licencier un travailleur pour des motifs liés à sa personne ou à son comportement l’invite à être préalablement entendu et recueille ses explications concernant les faits et les motifs de la décision envisagée. Le travailleur doit par ailleurs disposer de suffisamment de temps pour préparer son audition ou formuler le cas échéant des observations écrites. A défaut d’audition préalable au licenciement, l’employeur est redevable d’une indemnité équivalente à deux semaines de rémunération.
A la différence notable du régime applicable dans le secteur privé, l’employeur public doit indiquer, dès la notification du congé, les motifs concrets du licenciement. Le taux de la sanction est, en revanche, identique : l’employeur qui néglige de communiquer les motifs concrets du licenciement devient redevable d’une indemnité équivalente à deux semaines de rémunération.
Le législateur reprend enfin les termes de la CCT n° 109 quant à la définition du licenciement manifestement déraisonnable, soit celui d’un travailleur engagé pour une durée indéterminée, qui se base sur des motifs qui n’ont aucun lien avec l’aptitude ou la conduite du travailleur ou qui ne sont pas fondés sur les nécessités du fonctionnement de l’entreprise, de l’établissement ou du service, et qui n’aurait jamais été décidé par un employeur normal et raisonnable.
Une indemnité équivalente à celle prévue par la CCT n° 109 (entre 3 et 17 semaines de rémunération avec interdiction de cumul avec d’autres indemnités reprises dans la loi) est prévue en cas de licenciement manifestement déraisonnable.
La charge de la preuve est quant à elle réglée par le droit commun de l’article 870 du Code judiciaire (et non par un régime similaire à celui prévu à l’article 10 de la CCT n° 109), puisque l’employeur public a l’obligation de préciser les motifs du licenciement dès la notification du congé. Par exception, lorsque l’employeur a omis de communiquer les motifs ayant conduit au licenciement, il lui incombe d’établir que le licenciement n’est pas manifestement déraisonnable.
Ce régime entre en vigueur pour les licenciements effectués à partir du 1er mai 2024.
Le 27 avril 2023, le Gouvernement bruxellois a adopté le nouveau Plan régional Air-Climat-Énergie[1] (PACE). Ce plan a mis en évidence le levier important que constitue la rénovation du bâti bruxellois afin de permettre à la Région de tenir ses engagements climatiques. En 2019, le secteur du bâtiment représentait en effet 54 % des émissions directes de gaz à effet de serre de la Région[2].
Le 23 février 2024, le parlement bruxellois a adopté une ordonnance modifiant l’ordonnance du 2 mai 2013 portant le Code bruxellois de l’Air, du Climat et de la Maîtrise de l’Énergie en vue de mettre en œuvre la stratégie de rénovation du bâti (CoBrACE)[3].
Cette ordonnance s’inscrit dans la lignée du PACE et fait partie de la stratégie RENOLUTION du Gouvernement[4], laquelle vise, via la rénovation du bâti bruxellois, à permettre à la Région de Bruxelles-Capitale d’atteindre les objectifs de réduction des émissions régionales directes et indirectes de gaz à effet de serre qu’elle s’est fixée afin d’atteindre la neutralité carbone en 2050[5].
Tenant compte de cet objectif, l’ordonnance prévoit notamment que :
L’ensemble du bâti bruxellois devra par conséquent avoir atteint la classe C dans les 20 ans de l’entrée en vigueur de l’ordonnance. L’objectif est clair : s’attaquer en priorité aux passoires énergétiques afin d’atteindre les objectifs climatiques mais, également, de lutter contre la précarité énergétique[6].
Ces objectifs sont louables. Le chantier à mener d’ici 2033 n’en sera pas moins conséquent dès lors que 41 % des appartements et 71,7% des maisons relèvent des indices PEB F et G[7].
En cas de non-respect de cette obligation de rénovation des titulaires de droits réels, en ce compris les associations de copropriétaires, des amendes pourront être imposées par Bruxelles Environnement.
Une requête de dérogation aux exigences à atteindre en matière de PEB pourra introduite auprès de Bruxelles Environnement, un an avant l’échéance de respect desdites exigences[8]. Seuls des critères de faisabilité technique, fonctionnelle et économique peuvent justifier l’octroi d’une dérogation aux exigences PEB[9].
Outre les mécanismes d’accompagnement et de financement à renforcer ou à créer afin de permettre aux propriétaires de se conformer à cette obligation de rénovation et à la législation d’atteindre son but, les autorités régionales devront également s’assurer de la capacité des administrations compétentes à absorber les demandes de permis d’urbanisme qui devront être introduites dans l’hypothèse où les travaux projetés ne pourraient se voir dispensés de permis en vertu de l’arrêté minime importance du 13 novembre 2008[10]. Une réforme de l’arrêté précité afin d’étendre les dispenses de permis d’urbanisme ou faciliter la procédure d’octroi desdits pourrait à cet égard s’avérer pertinente et sera certainement envisagée par la Région.
Cette loi a été publiée le 23 février 2024 au Moniteur belge et est entrée en vigueur le 4 mars 2024. L’occasion pour nous de revenir sur la réforme de la législation relative aux droits du patient initiée à l’occasion des 20 ans de la loi du 22 août 2002 sur les droits du patient.
En 2002, conscient du fait que nous sommes tous patients à un moment de notre vie, le législateur consacrait dans une loi les droits du patient[2].
En un peu plus de 20 ans, ces droits sont devenus des principes importants qui encadrent la relation entre les prestataires de soins et les patients ; ils ont modifié la perception que nous avons des soins et le rôle que chacun joue dans la prise en charge de sa santé.
Les droits reconnus aux patients sont ceux de :
La loi y ajoutait le droit à la vie privée et au respect de leur intimité et, en vue de la mise en œuvre effective de ces droits, le droit d’introduire une plainte si ces droits n’ont pas été respectés.
À l’approche de ce vingtième anniversaire, le gouvernement en avait prévu une évaluation, d’autant plus nécessaire après la pandémie de COVID et au vu de l’évolution de la société et les innovations technologiques.
Cette évaluation a été ponctuée, le 15 décembre 2022, par une résolution adoptée par la Chambre des représentants visant une réforme approfondie des droits du patient.[3] S’en est alors suivie une large consultation des patients, des prestataires de soins et des experts en vue d’aboutir à un texte qui modernise la loi sur les droits du patient.
Le Ministre fédéral de la Santé identifie ainsi une évolution majeure, qu’il d’écrit comme suit : « Ce projet s’inscrit dans une vision moderne des soins de santé, selon laquelle les prestataires de soins doivent prendre les souhaits et attentes de leurs patients en compte dans le choix d’un traitement ou d’un examen : c’est aussi un droit du patient. La qualité des soins ne dépend pas seulement de la qualité des actes médicaux, mais va bien au-delà »[4].
C’est dans cet esprit que le Législateur a entrepris la modernisation de la loi de 2002 qui a abouti au texte adopté le 6 février 2024. L’ambition en est multiple et s’axe essentiellement autour des points suivants :
Un point commun à toutes ces modifications se trouve dans la nouvelle vision de la répartition des rôles respectifs des acteurs (patient et soignant) ; le patient se trouve renforcé dans son rôle central dans sa prise en charge thérapeutique.
Dans les semaines à venir, nous reviendrons sur l’un ou l’autre de ces sujets pour en décrire la portée spécifique.
De manière générale, pourtant, nous relevons qu’une telle évolution des droits et du rôle du patient traduit dans une large mesure une évolution sociétale que la jurisprudence reconnaissait déjà en partie. Par l’adoption de cette loi, le Législateur donne force de loi à cette évolution.
Sous des atours de modifications techniques et ponctuelles, cette loi traduit et ancre très fortement une vision sociétale dans laquelle le bénéficiaire d’un service participe activement à la détermination de son propre besoin. Ainsi, le patient ne sera plus celui « à qui des soins de santé sont dispensés », mais celui « qui bénéficie de [tels] soins de santé ».
Un tel changement de paradigme ne laisse pas indifférent et de nombreuses réactions se font déjà entendre. La charge administrative qui découlerait de cette loi aussi suscite déjà des levées de bouclier.
Ces réactions nous semblent saines ; elles montrent combien nous sommes, en tant que citoyens, encore et toujours « tous patients à un moment de notre vie ». Cette loi touche à l’intime et bouscule l’ordre établi. Elle est aussi le fruit d’une évaluation.
En 2002, l’adoption de la loi sur les droits du patient avait surpris et allait pour certains mettre en péril la qualité des soins. Près de 22 ans plus tard, la réforme du 6 février 2024 réveille ces discussions. Gageons que la prochaine évaluation sera l’occasion de percevoir les avantages de cette nouvelle vision et de rectifier ce qui devra l’être.
Er lijkt weinig twijfel over te bestaan dat de eerste week van maart 2024 prominent zal worden vermeld in de annalen van de Amerikaanse geschiedenis. Als prelude op een klinkende overwinning op Super Tuesday, in navolging waarvan Nikki Haley haar kandidatuur voor de Republikeinse voorverkiezingen voor het presidentschap opschortte, boekte Donald Trump op maandag 4 maart 2024 immers ook op juridisch vlak een uiterst belangrijke triomf.
Van Colorado…
Eind december 2023 oordeelde het Hooggerechtshof van de staat Colorado dat Donald Trump niet op het stembiljet mocht staan voor de Republikeinse voorverkiezingen op 5 maart 2024. Verwijzend naar Sectie 3 van het 14de amendement van de Amerikaans grondwet, dat stelt dat “wie een eed heeft afgelegd om de grondwet van de VS te steunen” als Congreslid of functionaris en daarna “betrokken was bij opstand of rebellie tegen de grondwet, of hulp of steun heeft verleend aan de vijanden ervan”, niet langer een reeks overheidsfuncties mag bekleden, meende het Hooggerechtshof van Colorado dat de voormalige president zich omwille van zijn rol bij de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 schuldig had gemaakt aan rebellie en bijgevolg van het stembiljet moest worden geschrapt.
Trump was het daar niet meer eens en diende beroep in bij het Supreme Court, de hoogste rechterlijke instantie in de Verenigde Staten.
…via Washington…
In de zaak Trump vs. Anderson[1] oordeelde het Supreme Court dat de staat Colorado de voormalige Amerikaanse president ten onrechte had laten schrappen van het stembiljet voor de voorverkiezingen van 2024.
In een unanieme, maar niet volledig onverdeelde uitspraak, waarin het Hof de rol van Trump bij het verstoren van de vreedzame overdracht van de macht in januari 2021 opmerkelijk genoeg uitdrukkelijk erkende, kwam het Hof tot de vaststelling dat de bevoegdheid om uitvoering te geven aan Sectie 3 van het 14de amendement van de federale grondwet niet bij de deelstaten ligt, maar wel aan het Amerikaanse Congres toebehoort. Meer in het bijzonder oordeelde het Supreme Court dat “States have no power under the Constitution to enforce Section 3 with respect to federal offices, especially the Presidency”. Zulks kan naar mening van het Hof onder meer worden afgeleid uit de omstandigheden dat de Grondwet “does not affirmatively delegate such a power to the States” en dat er geen grondwettelijke traditie bestaat van “state enforcement of Section 3 against federal officeholders or candidates in the years following ratification of the Fourteenth Amendment.”
Naar aanleiding van deze door Trump omschreven “big win for America” lijkt het pad naar een tweede ambtstermijn voor de flamboyante republikein enigszins te worden geplaveid. Zeker in het licht van het gegeven dat het Supreme Court zich niet uitsprak over de vraag of er al dan niet sprake is van rebellie in de zin van Sectie 3 van het 14de amendement van de federale grondwet, oogt de kans klein dat juridische obstakels een verkiezingsslag tussen Joe Biden en Donald Trump nog zullen verhinderen.
Het blijven evenwel de Verenigde Staten, dus never say never.
…naar Brussel.
Met de federale, regionale, lokale en Europese verkiezingen in het verschiet, kan de vraag worden gesteld in welke gevallen of onder welke voorwaarden een persoon in België zou kunnen worden uitgesloten van de verkiezingen en zich niet verkiesbaar zou mogen stellen. Meer bepaald rijst de vraag of een Belgische deelstaat een controversieel persoon van de kieslijst schrappen, zoals de staat Colorado dit probeerde met Donald Trump.
Actief vs. Passief kiesrecht
Het kiesrecht is een fundamenteel politiek recht in onze democratische rechtsstaat. Het vindt zijn grondslag in het recht van de burger op deelneming aan de uitoefening van de soevereiniteit.[2] Dit kiesrecht uit zich zowel actief als passief.
Het actief kiesrecht is het recht om te mogen gaan stemmen en actief deel te nemen aan de samenstelling van de vertegenwoordiging van het volk.
Het passief kiesrecht betreft daarnaast het recht om zich kandidaat te stellen voor een verkiezing. Artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt in dit verband inderdaad dat elke burger het recht heeft “deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, hetzij rechtstreeks of door middel van vrijelijk gekozen vertegenwoordigers” en “te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming, waardoor het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd”.
Artikel 3 Eerste Protocol EVRM formuleert daarnaast het kiesrecht als een verbintenis van de lidstaten van de Raad van Europa om met redelijke tussenpozen verkiezingen te organiseren op een manier die de vrije meningsuiting van het volk waarborgt. In 1987 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk dat artikel 3 Eerste Protocol EVRM elke lidstaat verplicht om voor zijn burgers het actief en passief kiesrecht te garanderen. De burgers hebben bijgevolg het subjectieve recht om te kiezen en om verkozen te worden. De schending van dit recht kan het voorwerp uitmaken van een particuliere klacht bij het Hof voor de Rechten van de Mens.[3]
Federale vs. gewestelijke bevoegdheid
Principieel komt de organisatie van de verkiezingen naar Belgisch recht toe aan de federale overheid. De bevoegdheid tot het bepalen van de voorwaarden waaronder iemand zijn verkiesbare status kan verliezen, betreft de facto dan ook een prerogatief van de federale wet- en uitvoerende macht. Toestanden zoals in de Verenigde Staten, waarbij deelstaten eigenhandig de beslissing nemen om kandidaten van de federale of deelstatelijke kieslijsten te schrappen, zijn in België bijgevolg eveneens onmogelijk.
Op de kiesrechtelijke bevoegdheden van de federale overheid bestaat evenwel een belangrijke uitzondering die betrekking heeft op de verkiezingen van lokale besturen. De gewesten zijn immers bevoegd voor de provinciale, bovengemeentelijke en gemeentelijke verkiezingen[4], hetgeen impliceert dat zij kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden voor verkiesbaarstelling. Van deze mogelijkheid werd zowel door de Brussels Ordonnantiegever, als de Vlaamse decreetgever reeds gebruikgemaakt (zie infra).
Beperkingen op het kiesrecht?
Het kiesrecht is – zoals de meeste grondrechten –geen absoluut recht en kan derhalve onder bepaalde voorwaarden worden beperkt.[5] Traditioneel wordt in de meeste rechtsstaten de uitoefening van de politieke rechten sensu stricto onderworpen aan een geheel van grondwettelijke en wettelijke voorwaarden. Het komt de Grondwetgever en de wetgever toe te bepalen of en onder welke voorwaarden het recht tot stemmen en om zich verkiesbaar te stellen, wordt uitgeoefend.
In België wordt het vraagstuk van het (actief en passief) kiesrecht beheerst door artikel 8, tweede lid, van de Grondwet, dat het volgende bepaalt: “De Grondwet en de overige wetten op de politieke rechten bepalen welke de vereisten zijn waaraan men moet voldoen, benevens de staat van Belg, om die rechten te kunnen uitoefenen.”
Overeenkomstig artikel 64 van de Grondwet en artikel 24bis, § 1 van de Bijzondere wet tot hervorming der instellingen zijn er vervolgens een aantal voorwaarden bepaald waaraan een kandidaat moet voldoen om zich verkiesbaar te stellen. Om tot volksvertegenwoordiger te kunnen worden verkozen moet men op de dag van de kandidaatstelling Belg zijn en de woonplaats hebben in België. Het bewijs van woonplaats is de inschrijving in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente. Op de dag van de verkiezingen moet men daarnaast de burgerlijke en politieke rechten genieten en de volle leeftijd van 18 jaar bereikt hebben.
Daarnaast gelden de volgende wettelijke voorwaarden wat betreft de personen die niet mogen gaan stemmen en ook geen kandidaat mogen zijn bij de verkiezingen in België:
De volgende personen mogen daarenboven geen kandidaat zijn bij de lokale verkiezingen:
Het Nieuw Brussels Gemeentelijk Kieswetboek identificeert bijkomend nog volgende onverkiesbare personen:
Ontzetting uit kiesrechten middels strafrechtelijke veroordeling
Naast de mogelijkheid voor de wet- en uitvoerende macht om te voorzien in beperkingen op het kiesrecht, beschikt ook de rechterlijke macht in België over prerogatieven om het kiesrecht enigszins aan banden te leggen. Concreet moet in dat verband worden gewezen op de eventualiteit om misdadigers uit hun politieke rechten te ontzetten.
De ontzetting uit burgerlijke of politieke rechten betreft een bijkomende criminele of correctionele straf en moet steeds uitdrukkelijk worden uitgesproken door de strafrechter. Als zodanig kan zij nooit afzonderlijk worden uitgesproken en moet zij altijd gekoppeld zijn aan een hoofdstraf. Een automatisch verlies van het kiesrecht bij een strafrechtelijke veroordeling werd immers reeds ernstig bekritiseerd door het Grondwettelijk Hof.[14]
Indien de rechter nalaat de veroordeelde uit zijn politieke en burgerlijke rechten te ontzetten, ontloopt de betrokkene bijgevolg deze bijkomende straf.
Afhankelijk van de hoofdstraf zal de strafrechter soms verplicht zijn om een veroordeelde tijdelijk of levenslang ontzetten uit alle of enkele burgerlijke en politieke rechten. Bij de veroordelingen tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting van tien jaar of meer of tot gevangenisstraf van twintig jaar of meer moet de rechter de veroordeelde bijvoorbeeld levenslang ontzetten uit alle burgerlijke en politieke rechten die artikel 31 van het Strafwetboek vermeldt, met inbegrip van het recht om verkozen te worden.[15] Bij andere criminele of correctionele straffen is de ontzetting uit een of meer burgerlijke en politieke rechten dan weer facultatief.[16]
Er zijn daarnaast ook specifieke strafbaarstellingen of misdrijven die steeds met een ontzetting uit burgerlijke en politieke rechten worden bestraft ongeacht de zwaarte van de uitgesproken hoofdstraf. Artikel 378 van het Strafwetboek bepaalt, bijvoorbeeld, dat personen die worden veroordeeld voor het plegen van misdrijven betreffende de aanranding van de eerbaarheid en verkrachting (ook) veroordeeld worden tot de ontzetting uit de rechten genoemd in artikel 31 van het Strafwetboek. In zulk geval vervangt de specifieke voorgeschreven regel de voormelde algemene regels.
De gevolgen van de ontzetting uit het recht om verkozen te worden, gelden enkel voor de toekomst en treden in werking vanaf het ogenblik dat de veroordeling onherroepelijk is geworden.[17] De ontzetting geldt dus zodra de beroepsmogelijkheden uitgeput zijn en het vonnis of arrest kracht van gewijsde heeft gekregen. Anderzijds gaat de termijn van de effectieve ontzetting, zoals bepaald in het vonnis of arrest in kwestie, pas in op de dag dat de veroordeelde de straf heeft ondergaan of op het ogenblik dat de straf verjaard is.[18] Wanneer men bij uitstel veroordeeld wordt tot een hoofdstraf, maar geen uitstel geniet voor de bijkomende straf tot ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten, begint de termijn van de ontzetting reeds te lopen op de dag waarop het uitstel begint.[19]
De rechter als verkiezingsbeslechter?
Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat, behoudens bijzondere wettelijke ingrepen van de bevoegde federale entiteit, enkel een strafrechter een persoon naar Belgisch recht kan ontzetten uit zijn passief kiesrecht, en bijgevolg onverkiesbaar kan maken. De strafrechter kan dit bovendien enkel door de ontzetting uitdrukkelijk uit te spreken als bijkomende straf gekoppeld aan een criminele of correctionele hoofdstraf. Donald Trump zou dus ook in België op de kieslijst zijn blijven staan.
Het vraagstuk omtrent beperkingen op het kiesrecht is brandend actueel. Op 12 maart 2024 werd voormalig parlementslid voor Vlaams Belang en voorzitter van de extreemrechtse jongerenvereniging Schild & Vrienden, Dries Van Langenhove, door de Gentse correctionele rechtbank veroordeeld tot één jaar effectieve celstraf en 16.000 euro boete voor inbreuken op de racisme- en negationismewet en tot 10 maanden cel met uitstel voor inbreuken op de wapenwet. Daarnaast werd Van Langenhove ook voor een maximale termijn van tien jaar uit zijn politieke rechten ontzet.
Indien dit vonnis in graad van beroep zou worden bevestigd, zou dit betekenen dat Dries Van Langenhove zich de komende 10 jaar niet meer zal kunnen gaan stemmen en zich evenmin verkiesbaar zal mogen stellen.
De Schild & Vrienden case toont duidelijk aan dat de mogelijkheid tot ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten t.a.v. politici die het één en ander op hun kerfstok hebben een geducht wapen in handen van de strafrechter betreft, waarmee maar beter gedegen wordt rekening gehouden. Zeker in het kader van dossiers waarin een definitieve gerechtelijke uitspraak voorzien wordt in verkiezingsjaren, zijn politici maar beter op hun hoede. De strafrechter heeft in de geschetste hypothese immers de macht om in zekere zin een invloed op de verkiezingen uit te oefenen.
Een diepgaandere analyse omtrent de rol van rechters als verkiezingsbeslechters is evenwel voer voor een volgende bijdrage.
In een nieuwe bijdrage in nummer 2023/2 van het Revue belge de droit constitutionnel, proberen Laurens De Brucker en Sacha Hancart deze vraag te beantwoorden naar aanleiding van de aankondiging van een wetsontwerp dat de strafbaarstelling van ecocide beoogt.
Na een bespreking van de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van dit concept in het internationale en Europese recht, onderzoeken de auteurs de mogelijkheid om het misdrijf ecocide in het strafwetboek op te nemen vanuit het oogpunt van de bevoegdheidsverdeling. Daartoe baseren zij zich op het deskundigenadvies dat in 2022 aan de minister van Justitie werd voorgelegd hierover. Het onderzoek vertrekt vanuit de optiek van de bevoegdheidsverdeling in het strafrecht en de dubbelaspectleer.
Deze kwestie is zeer actueel, aangezien de reikwijdte van ecocide beperkt werd naar aanleiding van het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel tot invoering van Boek II van het strafwetboek (Wetsvoorstel tot invoering van Boek II van het strafwetboek, Memorie van Toelichting, Parl.St. Kamer, 2022-2023, nr. 55-3518/001, 101). De parlementaire werkzaamheden zijn momenteel aan de gang in de Kamer.
De afdeling Wetgeving van de Raad van State had op 22 januari 2024 een kritisch advies overgemaakt over de amendementen nrs. 1 t.e.m. 10 op het voorstel van Vlaams stikstofdecreet. In dit advies van de afdeling Wetgeving werd benadrukt dat de voorgestelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de Europese Habitatrichtlijn en werd de kritiek op een aantal sleutelelementen van het decreet herhaald.
De Raad bekritiseerde met name het gebruik van de impactscore, die de bijdrage van een project aan de stikstofbelasting op een natuurgebied aangeeft. Deze score zou immers niet pertinent kunnen worden toegepast. Daarnaast uitte de Raad bezorgdheid over de drempelwaarden, die bepalen of een bedrijf of landbouwer vrijgesteld kan worden van een milieuonderzoek, omdat deze niet representatief zouden zijn. Ook bleef de eerdere kritiek op de vergunningsverlening “op krediet”, waarbij vergunningen worden verleend zonder zekerheid over een toekomstige daling van stikstofuitstoot, bestaan.
De Vlaamse meerderheidspartijen hebben gisterenavond de tekst van het decreet evenwel goedgekeurd in het Vlaams Parlement.
Of het decreet lang in voege zal zijn, is maar zeer de vraag. De Boerenbond gaf immers reeds uitdrukkelijk aan het decreet te zullen aanvechten bij het Grondwettelijk Hof.
Wordt ongetwijfeld vervolgd. ✍
Response to the call for feedback
An analysis of the purposes, the context and the texts in the light of article 113 TFUE.