Contacteer ons

ArchiefNieuws en inzichten

Na maanden van onsuccesvolle onderhandelingen, is er finaal dan toch een Brusselse regering gevormd, onder leiding van nieuwe minister-president Boris Dilliès. En bij een nieuwe regering hoort vanzelfsprekend een regeerakkoord. Over dat regeerakkoord – dat pas na 6 dagen een officiële Nederlandstalige versie kende – zijn velen het eens: het is zeer beknopt.

In een reeks blogs gaat Xirius Public dieper in op de inhoud van dit akkoord en worden enkele pertinente zaken uitgelicht. In deze blogpost komt het beleidsdomein Mobiliteit aan de beurt.

Kernpunten van het mobiliteitsbeleid

De nieuwe regering pleit voor een “veiligere, vlottere, properdere, snellere, toegankelijkere en efficiëntere mobiliteit van alle vormen van mobiliteit die mee zorgt voor een harmonieuze leefomgeving en kwaliteitsvolle openbare ruimten en bevorderlijk is voor de aantrekkingskracht en de economische ontwikkeling van het gewest”.

Om dit ideaal te bereiken, zet de regering prioritair in op een nieuw mobiliteitsplan. Dit plan zal worden opgesteld, rekening houdende met de lessen die zullen worden getrokken uit de geplande en door de ordonnantie van 13 oktober 2023 opgelegde evaluatie van het bestaande Good Moveplan.

Het Good Move-plan is sedert de implementering ervan een bron van controverse. De nieuwe regering zegt een nieuwe benadering te willen uitstippelen die erop gericht is de verkeersveiligheid, de modal shift, de levenskwaliteit, de gezondheid en de vlotte verkeersdoorstroming te verbeteren.

Hoe die nieuwe benadering zich zal vertalen naar concrete maatregelen, daarover spreekt het regeerakkoord zich amper of niet uit. Er wordt enerzijds wel gezegd dat nieuwe circulatieplannen kleinere perimeters zullen hanteren dan voordien, die afgestemd zullen zijn op de sociaaleconomische realiteit, en die zullen vertrekken vanuit schoolomgevingen als centraal punt. Ook blijft het standpunt duidelijk dat de persoonlijke wagen een aanvulling dient te vormen op de prioritaire vervoerswijzen (voetgangers, fiets, openbaar vervoer). Anderzijds lijken de intenties van de nieuwe beleidsbepalers op dit ogenblik vooral in weinigzeggende algemeenheden te blijven steken. Een greep uit het aanbod:

Het reeds bestaande gewestelijk verkeersveiligheidsplan zal verder worden uitgevoerd. Het streefdoel van nul doden en zwaargewonden tegen 2030 op de gewestwegen blijft gehandhaafd.

Wat de lage emissiezone (LEZ) betreft, stelt de nieuwe regering meer uitzonderingscategorieën in het vooruitzicht, onder meer voor bepaalde beroepscategorieën en voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. De regering doelt ook op een milder sanctiebeleid, en maakt dit al meteen vrij concreet. Zo zal er een jaarpas van 350 euro (of 200 euro aan het sociaal tarief) worden ingevoerd, waar tot nog toe enkel een dagpas kon worden gekocht. Daarnaast zullen overtreders voortaan een maandelijkse boete van 80 euro riskeren, waar zij tot op heden een driemaandelijkse boete van 350 euro konden verwachten.

Het regeerakkoord predikt voorts een rationeel budgetbeheer wat het openbaar vervoerbeleid betreft. Verschillende technische interventies en infrastructuurwerken worden uitgesteld of op de langere baan geschoven. Een voorbeeld is de opschorting en herevaluatie van de uitbreiding van metrolijn 3 tussen het Noordstation en Bordet. De nieuwe regering bevestigt evenwel de aanleg van een tramlijn aan Thurn & Taxis. Met een voorziene operationalisering rond 2028-2029, zal deze tramlijn er normaliter ook komen tijdens de huidige legislatuur. Tot slot zal ook het globale aanbod van de MIVB worden behouden.

Nog meldenswaardig is ook dat de regering in overleg met de NMBS een minimale dienstverlening beoogt van vier treinen per uur voor elk station van het voorstadsnet, teneinde de complementariteit tussen gewestelijk openbaar vervoer en treinvervoer te versterken.

Waar voor het openbaar vervoer enigszins de tering naar de nering wordt gezet, voorziet de nieuwe bestuursploeg wel een extra jaarlijks budget van 40 miljoen euro voor de herinrichting van de gewestwegen en de openbare ruimte.

Aangaande parkeerbeleid lijkt de nieuwe regering in eerste instantie te willen voortborduren op het beleid dat reeds was ingezet. Zo wil men parkeren buiten de openbare weg blijven stimuleren, het parkeren voor actieve en gedeelde vervoerswijzen (waaronder taxi’s en autocars) blijven vergemakkelijken en blijven inspelen op de specifieke behoeften van personen met een handicap. Daarnaast wordt wel een verruiming van de criteria voor professionele parkeerkaarten aangekondigd.

Afsluiten doet het regeerakkoord op vlak van mobiliteit met een voorgenomen aansluiting bij diverse reeds bestaande initiatieven over de gewestgrenzen heen.

Zo stelt de nieuwe regering te willen deelnemen aan de door de Vlaamse en Waalse regeringen gestarte gesprekken omtrent de invoering van een digitaal wegenvignet dat van toepassing zou zijn op het volledige Belgische grondgebied.

Ook zal worden onderzocht of de periodieke keuring van motorvoertuigen, naar voorbeeld van de andere gewesten, op tweejaarlijkse basis zou kunnen worden ingesteld. Het vraagstuk van de afstemming van de keuringsverplichtingen in de drie gewesten van ons land is zonder meer actueel. Immers mogen bewoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vrij hun motorvoertuig laten keuren in de andere gewesten, waar de keuringsattesten twee, en niet slechts één jaar geldig blijven. Aldus lijkt er sprake te zijn van een concurrentieel nadeel voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen keuringsstations.

Een laatste politiek voornemen dat is opgenomen in het regeerakkoord, betreft de graduele wering van de zwaarste personenwagens, in een zogenaamde “Light and Safe zone”.

Tot slot wordt ook de instelling van een tweede autoloze zondag per jaar in het vooruitzicht gesteld vanaf 2027.

Conclusie

De nieuwe Brusselse regering lijkt het mobiliteitsbeleid van de afgelopen jaren aldus niet drastisch over een andere boeg te willen gooien.

Hoewel er wordt aangestuurd op een nieuw mobiliteitsplan na de Good Move-controverse, zijn de intenties van de nieuwe beleidsbepalers zo vaag geformuleerd dat daar op dit moment nog weinig uitspraken kunnen over worden gedaan.

Op vlak van veiligheid en parkeerbeleid wordt voortgebouwd op de bestaande beleidsmaatregelen, terwijl het principe van de lage emissiezone overeind blijft, ondanks de verzachting van het sanctiebeleid en een verruiming van de afwijkingsmogelijkheden.

Wat openbaar vervoer betreft, zal in principe de vinger op de knip worden gehouden, maar blijft het bestaande aanbod normaliter overeind.

Noemenswaardige vernieuwingen zijn het bijkomende jaarlijkse budget van 40 miljoen euro voor de herinrichting van gewestwegen en de openbare ruimte enerzijds, en de aankondiging van een Light and Safe zone, waarin de zwaarste personenwagens niet meer zouden worden toegelaten. Dat er vanaf 2027 een tweede autoloze zondag bijkomt, zal door velen ongetwijfeld met de glimlach worden onthaald, maar is (althans juridisch gezien) niet meer dan een bijkomstigheid.

Tot slot lijkt de Brusselse regering zich in het zog van de Vlaamse en Waalse Gewesten te willen nestelen, wat de instelling van een geharmoniseerd wegenvignet betreft. Dezelfde tendens lijkt zich aan te kondigen met betrekking tot de periodiciteit van de verplichte autokeuring.

Hoewel het Brusselse regeerakkoord bol staat van de lovenswaardige doelstellingen, is het koffiedik kijken of, en überhaupt met welke instrumenten en maatregelen, de nieuwe regering één en ander zal kunnen (en willen) realiseren op het gebied van mobiliteit. Na anderhalf jaar regeringsvorming, stelt zich op dit moment dan ook de vraag hoelang het Brusselse mobiliteitsbeleid nog ter plaatse zal blijven trappelen.

Après de longues négociations, la Région de Bruxelles-Capitale s’est enfin dotée d’un Gouvernement. La Déclaration de politique régionale du 13 février 2026 marque un accord attendu, notamment dans les matières de l’urbanisme et de l’aménagement du territoire.

À la lecture des développements consacrés à ces matières, deux axes se dessinent nettement : d’une part, des réformes structurelles visant à simplifier, rationaliser et sécuriser les procédures relatives aux autorisations urbanistiques et à la planification (A) ; d’autre part, un ensemble de mesures plus opérationnelles destinées à produire des effets concrets à court et moyen termes (B).

Xirius Public vous propose une première analyse sommaire de ces matières.

A.     Les mesures structurelles : vers une reconfiguration du cadre normatif

Poursuite de la réforme du RRU et du CoBAT

Le Gouvernement annonce la poursuite de la révision du Règlement Régional d’Urbanisme (RRU) ainsi qu’une réforme du Code bruxellois de l’Aménagement du Territoire (CoBAT) en ce qui concerne les procédures administratives.

L’objectif affiché est clair : simplifier les procédures d’octroi des permis d’urbanisme et « déverrouiller » le marché immobilier bruxellois.

La réforme du CoBAT pourrait ainsi conduire à une refonte des délais, des mécanismes de complétude, voire des modalités de participation du public (voyez ci-après).

Clarification des compétences entre Région et communes

Le Gouvernement prévoit une répartition des compétences selon l’ampleur des projets : les projets d’envergure seraient prioritairement traités au niveau régional, tandis que les projets de moindre importance relèveraient des communes.

Une telle clarification pourrait renforcer la lisibilité des compétences des autorités régionales dans les matières en cause, mais elle impliquera une adaptation des dispositions du CoBAT relatives à celles-ci.

 Vers un permis intégré et une rationalisation des incidences environnementales

Le Gouvernement annonce un regroupement des services régionaux compétents et la volonté d’instaurer un permis intégré lorsque le projet comporte à la fois un volet urbanistique et environnemental.

Cette orientation s’inscrit dans la continuité des logiques d’intégration déjà observées dans les autres entités fédérées.

Réforme des instruments planologiques

Le Gouvernement développera une vision stratégique 2030 renouvelée du développement territorial, visant à mieux articuler les besoins en logements, les impératifs environnementaux et les objectifs de développement économique.

La poursuite de la réforme du RRU et du Plan Régional d’Affectation du Sol (PRAS) est confirmée.

B.      Les mesures opérationnelles : accélération, allègement et responsabilisation

Les mesures plus concrètes annoncées traduisent notamment une volonté d’accélération et de rationalisation procédurale.

Allègement des obligations et extension des exonérations

L’élargissement des actes et travaux exonérés de permis ainsi que la suppression éventuelle de l’exigence de conformité au RRU sont envisagés.

Réforme des délais et digitalisation

L’automatisation de l’accusé de réception via MyPermit, la réduction du délai de vérification de complétude (de 45 à 20 jours, 30 jours pour les permis mixtes), l’obligation pour l’administration de lister en une seule fois les documents manquants et la réduction du délai pour l’analyse de la complétude du dossier à la suite d’un accusé de réception incomplet à 10 jours traduisent une volonté d’encadrer plus strictement l’action administrative.

Ces mesures visent notamment à renforcer la sécurité juridique des demandeurs et le Gouvernement annonce vouloir s’inscrire dans le principe « Only Once », visant à limiter la répétition des démarches administratives. Une modification de l’arrêté déterminant la composition du dossier de permis d’urbanisme est également envisagée.

Une mise à disposition via Brugis d’une nouvelle fonctionnalité permettant au public d’accéder, complètement et clairement, à toutes les réglementations applicables aux demandes de permis d’urbanisme pour une parcelle ou un quartier est également évoquée.

Le délai pour que le demandeur complète sa demande devrait également être réduit à 3 mois.

Rationalisation des réunions de projet

Le plafonnement du nombre de réunions, l’imposition d’un délai de convocation de 15 jours, l’obligation de procès-verbaux actant un consensus clair et l’engagement des pouvoirs publics sur les positions prises sont évoqués par le Gouvernement.

Participation du public et simplification des enquêtes publiques

La suppression de la suspension des enquêtes publiques durant les vacances scolaires et le remplacement de la Commission de concertation par une enquête unique pour les permis simples sont envisagés.

Le Gouvernement entend par ailleurs établir une définition stricte des « modifications substantielles » pour éviter la multiplication inutile des enquêtes publiques et avis en cours de procédure.

La définition de cette notion sera confrontée à la nécessité complexe d’être applicable à l’ensemble des projets ayant vocation à prendre place sur le territoire bruxellois. L’on s’interroge à cet égard sur la possibilité d’appréhender, au sein de cette notion déjà interprétée au cas par cas par la jurisprudence du Conseil d’Etat, l’ensemble des projets, dont la diversité ne manquera pas de donner du fil à retordre aux auteurs de la réforme.

Avis d’instances spécialisées

La suppression de l’avis conforme de la Commission Royale des Monuments et des Sites (CRMS) est évoquée. Il s’agit d’une réforme sensible qu’il faudra réaliser avec prudence eut égard au patrimoine architectural qui caractérise la Région de Bruxelles-Capitale.

Le Gouvernement envisage également la réintégration de l’avis du SIAMU dans le processus des demandes de permis.

La Déclaration Libératoire Unique Urbanistique (DLUU)

L’instauration d’une DLUU visant à régulariser, via une procédure simplifiée et moyennant indemnité forfaitaire, est prévue. Le Gouvernement entend notamment établir une liste des dérogations à la règlementation incluant les infractions urbanistiques répondant aux critères du bon aménagement des lieux.

Gel et sanctuarisation de certains sites

Le gel temporaire du développement de sites tels que Josaphat, Meylemeersch, Keyenbempt et Bois du Calevoet, ainsi que la sanctuarisation en « zone verte » des sites Wiels, Avijl et Donderberg, sont évoqués.

Réaffectation stratégique du site Audi et soutien à un nouveau stade

La réaffectation du site Audi en pôle économique, ainsi que le soutien à la Royale Union Saint-Gilloise pour l’implantation d’un nouveau stade au Bempt à Forest, illustrent la dimension économique et symbolique de la stratégie territoriale.

Ces dernières projections du Gouvernement en matière de planification devront être confrontée au récent jugement du tribunal de première instance francophone de Bruxelles du 29 octobre 2025 ordonnant « à la RBC de prendre les mesures nécessaires pour suspendre l’urbanisation et l’imperméabilisation des sites et terrains non bâtis de plus de 0,5 ha sur son territoire, et ce, jusqu’à l’adoption du PRAS dont la révision a été initiée par l’arrêté du gouvernement du 23 décembre 2021 et, au plus tard jusqu’au 31 décembre 2026 » (Tribunal de première instance de Bruxelles (FR) (4e ch.) – Jugement n° 24/885/A du 29 octobre 2025).

Cependant, une lecture attentive de l’accord de gouvernement montre que l’on semble partir du principe que le site Bempt ne relève pas du champ d’application du jugement rendu par le tribunal de première instance francophone.

Le Gouvernement semble par ailleurs annoncer la réalisation d’une circulaire interprétative de ce jugement.

Conclusion

La Déclaration de politique régionale du 13 février 2026 marque une volonté de rationalisation et d’optimalisation du droit bruxellois de l’urbanisme et de l’aménagement du territoire.

Entre simplification procédurale, recentralisation partielle, accélération des délais et innovations, le Gouvernement entend restaurer la prévisibilité et l’attractivité de la Région de Bruxelles-Capitale.

L’enjeu sera donc de concilier efficacité administrative et respect de la réglementation, parfois dépendante de normes européennes, dans un contexte bruxellois où la densité réglementaire a, somme toute, comme mérite de tenter de garantir le respect des droits de chacun, et de la notion moins juridique du « vivre-ensemble ».

Reste à voir de quelle manière ces déclarations seront implantées dans la règlementation bruxelloise.

Toute l’équipe de Xirius Public reste à votre disposition en cas de questionnement en lien avec les réformes annoncées par le Gouvernement bruxellois.

Na maanden van onsuccesvolle onderhandelingen, is er finaal dan toch een Brusselse regering gevormd, onder leiding van nieuwe minister-president Boris Dilliès. En bij een nieuwe regering hoort vanzelfsprekend een regeerakkoord. Over dat regeerakkoord – dat pas na 6 dagen een officiële Nederlandstalige versie kende – zijn velen het eens: het is zeer beknopt.

In een reeks blogposts, waarvan deze het eerste luik vormt, gaat Xirius Public dieper in op de inhoud van dit akkoord en lichtten we enkele pertinente zaken eruit toe vanuit onze juridische expertise. Deze bijdrage focust op de beleidsdomeinen klimaat, milieu en energie.

Belangrijkste punten uit het regeerakkoord

Het regeerakkoord bevat onder titel 8 één enkele bladzijde die luidt “De milieu-, klimaat- en energie-uitdagingen aanpakken”. In eerste instantie wordt daarin verwezen naar het Europese klimaatbeleid, met name de Green Deal en de Klimaatwet, en het Klimaatakkoord van Parijs. Dit is vrij evident, nu niet alleen lidstaten als geheel, maar ook lokale en regionale besturen mee verantwoordelijk zijn voor de toepassing en handhaving van de regels die onder hun bevoegdheid ressorteren. De belangrijkste doelstelling die voortvloeit uit de Europese regelgeving is het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050.

Gebouwen

De Brusselse regering ziet in dat verband het meest potentieel in de energieprestaties van gebouwen, die verantwoordelijk zijn voor ongeveer 60% van de totale uitstoot, en stelt voorop een intensiever isolatiebeleid te willen voeren. Ze beschouwt de privésector daar als een belangrijke partner. Concreet worden de volgende zaken vermeld:

Opmerkelijk is dat bij geen enkele van deze punten enige verdere toelichting is opgenomen, waardoor het onduidelijk is op welke wijze, noch met welke budgetten de regering dit aspect zal aanpakken. Dit lijkt nochtans nodig, nu in het kader van onder meer de Green Deal op de lidstaten tevens de verplichting rust om te streven naar een emissievrij gebouwenbestand in 2050.

Bovendien wijst de Brusselse regering erop dat ongeveer 60% van de totale uitstoot in het Gewest toe te schrijven is aan slechte isolatie. Een effectief en efficiënt beleid inzake de isolatie (en energieprestatie) van gebouwen zal dus cruciaal zijn om voormelde doelstellingen te kunnen bereiken. Ten gevolge van het Renolution-dossier, dat leidde tot de tergend trage uitkering van renovatiepremies, heeft het Gewest er alvast alle baat bij opnieuw een debacle te vermijden en werk te maken van een betrouwbaar en stimulerend renovatiebeleid.

Dit is des te meer het geval aangezien de Europese Commissie, aan de hand van een recente beoordeling van het Belgische Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP) heeft geoordeeld dat verdere inspanningen en uitwerking van het NEKP vereist is om de Europese doelstellingen te bereiken. Specifiek met betrekking tot gebouwen is de Commissie scherp: er moet een duidelijk en geactualiseerd niveau van ambitie vastgesteld worden, met tussentijdse mijlpalen voor 2030 en 2040. Verder dienen er steunmechanismes op lange termijn opgezet worden en moet de elektrificatie van verwarming en de uitrol van warmtepompen bevorderd worden. Deze zaken zien we niet terugkomen in het Brusselse regeerakkoord. Sterker nog, er wordt zelfs niet verwezen naar het Gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan dat opgesteld werd door Leefmilieu Brussel. Of de inhoud van dit plan bijgetreden wordt, dan wel aangescherpt, is opnieuw een blinde vlek in het akkoord.

Op het eerste zicht lijken de aangekondigde maatregelen te suggereren dat aan de ordonnantie van 7 maart 2024 tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing met het oog op de implementatie van de strategie voor de renovatie van de gebouwen (BS 22 maart 2024) verder uitvoering zal worden gegeven. Dit is evenwel ver van evident. De ordonnantie, die energieverslindende gebouwen verbiedt, minimale EPB-eisen invoert voor nieuwe gebouwen en renovatieverplichtingen oplegt voor bestaande gebouwen, zorgde immers voor heel wat wrevel en tegenstand, aangezien de kosten die gepaard gaan met de nieuwe EPB-voorwaarden vaak onbetaalbaar zijn voor armere gezinnen. Over dat luik hult het nieuwe regeerakkoord zich evenwel in stilzwijgen. Het is dan ook koffiedik kijken hoe de aangekondigde beleidskeuze in de praktijk zal worden geïmplementeerd, evenals afwachten op welke wijze er in het licht van de penibele financiële situatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal worden ingespeeld op de economische kant van het isolatie- en renovatieverhaal.

Overige beleidsaspecten

De rode draad doorheen het regeerakkoord, minstens met betrekking tot deze beleidsdomeinen blijkt het gebrek aan concretisering van maatregelen. Dit geldt namelijk ook ten aanzien van de andere beleidspunten die opgenomen zijn in het akkoord.

Zo wordt gesteld dat de productie van groene energie aangemoedigd wordt (“energiegemeenschappen, warmtenetten, biogasproductie enzovoort”), wederom zonder enige toelichting op welke wijze dit zal gebeuren. Idem dito wat betreft “innovatie door privébedrijven”. Over welke innovatie of technologische ontwikkeling het hier gaat, wordt niet gespecificeerd. Er is de loutere stelling dat dit gesteund zal worden door “de toepassing ervan te vereenvoudigen”. Het is dus gissen naar welke knelpunten geviseerd worden of in welke oplossingen voorzien zal worden.

Ook in dit kader zou op het eerste gezicht kunnen worden gedacht aan het uitdiepen van het bestaande juridische kader, dat vandaag gevormd wordt door ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een interpretatiegids van Brugel. Anderzijds zou ook het afstemmen van stedenbouwkundige voorschriften of, meer algemeen, het plannings- en vergunningenbeleid op de actuele energiecontext een mogelijke piste kunnen zijn. Met Ans Persoons komt op de post van Staatssecretaris voor Leefmilieu & Klimaat, Stadsvernieuwing, Erfgoed en Imago van Brussel alvast iemand met een duidelijke kennis van het Brusselse kader inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. The future will tell.

Een iets ruimere paragraaf bespreekt vervolgens de aanleg van openluchtzwemlocaties. Nog afgezien van de vraag in welke zin dit aspect kadert binnen klimaat, milieu of energie, stellen we ook hier vast dat het akkoord zich beperkt tot een louter engagement. Een verbintenis die “de aanleg van verscheidene openluchtzwemlocaties verder onderzoeken” overstijgt, is niet opgenomen.

Ook het drinkwaterbeheer is opgenomen in het regeerakkoord. De doelstelling daaromtrent lijkt tweeledig: de kwaliteit garanderen en kwetsbare mensen bescherming bieden. De belangrijke rol van Vivaqua wordt benadrukt en het Gewest verbindt zich ertoe een participatie daarin te nemen. Een opvallend stilzwijgen is er over PFAS en de aanpak die het Brussels Gewest daaromtrent zal voeren.  

Het laatste punt opgenomen in het regeerakkoord wat betreft het beleidsdomein milieu, klimaat en energie is een brandend actueel thema: de strijd tegen geluidsoverlast door vliegtuigen. Het regeerakkoord is gelimiteerd tot de stelling dat dit aspect voor alle partners een prioriteit is en houdt het diplomatisch door te stellen dat rekening gehouden zal worden met alle gezondheids- en economische aspecten. In welke richting het beleid zal evolueren, valt dus nog af te wachten. In ieder geval zal dit geen eenvoudige oefening zijn, aangezien deze problematiek niet enkel op gewestelijk, maar ook op gemeentelijk niveau speelt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De belangen van de Brusselse gemeenten zijn in dat kader ook niet steeds gelijklopend. Dat er recent opnieuw veel klachten ingediend zijn in verband met het vlieglawaai boven het noorden van Brussel, zal staatssecretaris Ans Persoons alvast aan het werk zetten.

Conclusie

Het Brusselse regeerakkoord kaart enkele belangrijke problematieken aan met betrekking tot de thema’s klimaat, energie en milieu. Echter kunnen uit het akkoord zelf slechts zeer weinig concrete acties afgeleid worden. Louter kwantitatief is het regeerakkoord zeer summier, en al helemaal wat betreft dit thema. Dit staat in schril contrast met de regeerakkoorden van de Vlaamse en Waalse regeringen. Zeker het Vlaamse regeerakkoord bevat een pak meer concrete doelstellingen en maatregelen.

In de inleiding van het Brussels regeerakkoord wordt terecht gewezen op het feit dat reeds veel tijd verstreken is sinds de verkiezingen. Hoewel de ambitie wordt uitgesproken om een concreet beleid te voeren, zal deze niet blijken uit de tekst van het regeerakkoord. Het is bijgevolg afwachten wat de komende 3,5 jaar zal brengen voor het Brussels Gewest, des te meer nu zij prioritair haar begroting op orde dient te stellen tegen 2029.

Met een arrest van 19 februari 2026 schorste de Raad voor Vergunningsbetwistingen een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van drie windturbines langs E19 te Brecht. De Raad oordeelde in zijn arrest dat de Vlaamse Regering op het eerste gezicht niet concreet en zorgvuldig zou hebben gemotiveerd waarom de aangevraagde nieuwe en grotere windturbines verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening in het licht van de schaal, het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen (RvVb 19 februari 2026, nr. RvVb-S-2526-0514, X).

Hoewel het windpark in Brecht geen repoweringsproject betreft, is het arrest van 19 februari 2026 bijzonder interessant. De Raad voor Vergunningsbetwistingen geeft immers enigszins aan op welke wijze de Vlaamse Regering de toets aan de goede ruimtelijke ordening voor dergelijke projecten naar de toekomst toe zal moeten uitvoeren. Redenen genoeg dus om aan het arrest een blogpost te wijden.

Brechtse branie geeft aanleiding tot schorsing

Begin april 2025 dient een ontwikkelaar een omgevingsvergunningsaanvraag in voor de bouw en exploitatie van een windpark bestaande uit drie windturbines. De bedoeling van de ontwikkelaar is erin gelegen om drie bestaande windturbines met een tiphoogte van 150 m af te breken en te vervangen door drie nieuwe en krachtigere turbines met een maximale tiphoogte van 240 meter. Twee van de nieuwe windturbines worden opnieuw ingeplant langs de E19 (ongeveer op de locatie van twee van de af te breken windturbines), terwijl een derde windturbine verder weg van de E19 wordt voorzien.

De aanvraag wordt gunstig beoordeeld en op 3 oktober 2025 verleent de Vlaamse Minister van Omgeving een omgevingsvergunning. Enkele inwoners van de gemeente Brecht trekken evenwel hun Don Quichoteschoenen aan en leggen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen een verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing neer.

In het kader van de beoordeling van het schorsingsverzoek komt de Raad tot de conclusie dat er in hoofde van de omwonenden sprake is van hoogdringendheid. De omstandigheden dat de windturbines snel zouden kunnen worden gebouwd en dat de slagschaduw- en visuele hinder die de vergunde windturbines zullen genereren aanleiding dreigen te geven tot een aanzienlijke verzwaring van de bestaande ongemakken, kwalificeert de Raad immers als ernstige nadelige gevolgen die de aangevoerde hoogdringendheid kunnen staven.

Ook aan het vereiste dat er sprake moet zijn van minstens één ernstig middel wordt naar mening van de Raad voldaan. Op het gebied van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening schiet de beslissing van de minister van Omgeving naar mening van de Raad namelijk ernstig tekort.

Met betrekking tot de toetsing aan het beoordelingscriterium ‘schaal’, staat in de vergunning het volgende te lezen:

“Er wordt door dit project geen belangrijk verkleinend effect verwacht op de aanwezige landschappelijke structuren en elementen. De autosnelweg E19 en de HSL doorsnijden een open gevarieerd landschap dat reeds gekenmerkt wordt door verschillende operationele windturbines, deze windturbines vormen al een belangrijke infrastructurele barrière doorheen het landschap. De 3 nieuwe windturbines vervangen 3 bestaande windturbines in het landschap en sluiten qua schaal en opbouw aan bij het landschap. Het project overschrijdt de schaal en de opbouw van het gebied en de omliggende gebieden niet. De op te richten windturbines passen in het beeld van energielandschap langs de autosnelweg E19.”

De toelichting acht de Raad voor Vergunningsbetwistingen manifest onvoldoende in het licht van de onderzoeks- en motiveringsplicht die er in het kader van de goede ruimtelijke ordeningstoets op de vergunningverlenende overheid rust. De Raad zet in dat kader het volgende uiteen:

“Uit deze alinea blijkt op het eerste gezicht geen concrete beoordeling van de schaal van de nieuwe windturbines. Met haar beknopte motivering gaat de verwerende partij voorbij aan zowel het feit dat de aanvraag windturbines van een andere grootteorde bevat dan de drie bestaande windturbines als aan het feit dat WT3 op een gewijzigde plaats wordt ingeplant, met name veel verder van de E19 en de hogesnelheidslijn en in open landbouwlandschap. Aan de vraag of de schaal in het licht van die gewijzigde omstandigheden nog aanvaardbaar is, besteedt de verwerende partij geen aandacht. Nochtans rustte er op de verwerende partij op het eerste gezicht een verscherpte motiveringsverplichting in het licht van de bezwaren van de verzoekende partijen en het ongunstige advies van de tweede tussenkomende partij, waarin werd gewezen op deze gewijzigde omstandigheden.”

Ook de toelichting bij het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen acht de Raad vervolgens ontoereikend, aangezien de vergunningverlenende overheid zich zou beperkt hebben tot een beschrijving van de nieuwe windturbines, zonder uiteen te zetten waarom de nieuwe constructies – en zeker windturbine in open landbouwgebied – zich in de omgeving zouden integreren.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen besluit dan ook tot het ernstig karakter van het middel en schorst op 19 februari 2026 de vergunning voor het windproject.

De goede ruimtelijke ordeningstoets

Artikel 4.3.1., §1, eerste lid, 1°, d) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) stelt dat een vergunning wordt geweigerd indien het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.

Concreet veronderstelt het onderzoek van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening dat dat de vergunningverlenende overheid afdoende motiveert waarom het aangevraagde in zijn specifieke context past. Iedere omgeving heeft immers zijn eigen specifieke kenmerken, zodat het niet eenvoudig is om algemene regels vast te stellen over wat nu juist een goede ruimtelijke ordening voor een specifieke omgeving inhoudt.

Met betrekking tot de goede ruimtelijke ordeningstoets worden in de VCRO enkele criteria bepaald waaraan de overheid een aanvraag moet toetsen. Concreet gaat dit om de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten, het bodemreliëf, en op de hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen.

Indien na een toetsing van een project aan één of meerdere van deze criteria blijkt dat een aanvraag ongunstige on aanvaardbare effecten genereert, moet het project wegens strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening worden geweigerd.

De beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in het kader van windprojecten

Specifiek met betrekking tot vergunningsaanvragen voor windturbines is omzendbrief OMG/2025/01 ‘afwegingskader en randvoorwaarden voor de oprichting van windturbines’ van toepassing. Hoewel deze omzendbrief geen verordenend karakter heeft en een schending ervan op zich niet kan leiden tot de onwettigheid van een vergunning, biedt hij wel een afwegingskader voor het ruimtelijk (vergunnings)beleid met betrekking tot windturbines. Meer bepaald heeft de omzendbrief als doel een kader te scheppen “voor de optimale inplanting van windturbines voor een zo groot mogelijke productie van groene stroom om op die manier bij te dragen tot een duurzame energietransitie en een gedragen ontwikkeling van windenergie”.

De principes in omzendbrief OMG/2025/01 vormen in het kader van de vergunningverlening een algemene gedragslijn die de Vlaamse Regering heeft uitgezet. Daarmee veruitwendigt ze de wijze waarop de beoordeling van de verenigbaarheid van windturbines met de goede ruimtelijke ordening in beginsel zal gebeuren en welke elementen over het algemeen in beschouwing worden genomen om de ruimtelijke inpasbaarheid van dergelijke projecten af te wegen. Ook al heeft deze omzendbrief geen verordenend karakter, toch kan hij worden beschouwd als een beleidsmatig gewenste ontwikkeling, nu de overheid, om eenvormigheid te brengen in haar beleid en haar beslissingen, dergelijk beleid mag uitschrijven in een omzendbrief.

Wat de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening betreft, kan een vergunningverlenende overheid zich richten bijgevolg naar het door de omzendbrief aangereikte afwegingskader.

Dit betekent evenwel niet dat de toetsing van een aangevraagd project aan de goede ruimtelijke ordening kan worden beperkt tot een louter formalistische toetsing aan de in de omzendbrief opgenomen randvoorwaarden. De vergunningverlenende overheid moet het aangevraagde immers aan een concrete beoordeling onderwerpen.

Richtinggevende rechtspraak voor repoweringsprojecten

In het kader van de motivering van de omgevingsvergunning voor het windproject in Brecht beperkte de vergunningverlenende overheid zich m.b.t. de beoordeling van het criterium ‘schaal’ op het eerste gezicht tot een al te formele toetsing aan de omzendbrief OMG/2025/01. Daarin staat onder meer het volgende te lezen:

“In bepaalde grootschalige landschappen zullen grote windturbines veeleer ervaren worden als een aanvulling op het landschap. Windturbines zijn inmiddels ook tot het normale landschapsbeeld gaan behoren, zeker in de nabijheid van grote infrastructuren. Daar gelden zij als markeerders in het landschap. Bij de beoordeling van de impact van windturbines op het landschap, wordt in beginsel uitgegaan van een positieve benadering, dit tegen de achtergrond van de noodzakelijke energietransitie en de beleidsdoelstellingen inzake hernieuwbare energie.”

De minister leek er dienaangaande van uit te gaan dat er zich op het vlak van schaal geen probleem zou voordoen, aangezien het project betrekking heeft op de vervanging van bestaande windturbines, er zich in de omgeving heel wat andere molenwiekers bevinden en er reeds sprake is van een energielandschap in de buurt van grootschalige infrastructuren.

Vergelijkbare standpunten lijken in het licht van de nieuwe rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet langer mogelijk. In het besproken arrest komt de Raad namelijk tot de conclusie dat, zelfs al is er sprake van een vervanging, steeds een correcte schaalanalyse moet worden gemaakt wanneer bestaande windturbines worden omgeruild voor grotere exemplaren. Het feit dat er zich in de buurt reeds andere windturbines bevinden, doet daaraan geen afbreuk. Ook in dat geval lijkt de Raad immers te stellen dat er een verduidelijking dient plaats te vinden omtrent de redenen waarom de grotere windturbines qua schaalgrootte niet problematisch zijn in vergelijking met overige aanwezige windturbines en waarom de grotere afmetingen van de nieuwe windturbines op het gebied van de hinder die zij genereren vanuit goede ruimtelijke ordeningsoogpunt aanvaardbaar zijn.

Bovendien lijkt het besteden van de nodige aandacht aan de beoordelingscriteria die betrekking hebben op de goede ruimtelijke ordening des te belangrijker wanneer windturbines n.a.v. een vervanging op een andere locatie worden voorzien. Ervan uitgaan dat het vervangen van een windturbine op een licht gewijzigde locatie in het licht van de goede ruimtelijk ordening zomaar mogelijk is, lijkt nog weinig plausibel.

Windexploitanten die naar de toekomst voorzien om bestaande projecten te repoweren, houden in het kader van de opmaak van hun lokalisatienota’s, landschapsstudies en overige aanvraagdocumenten maar beter rekening met deze nieuwbakken rechtspraak. De bevindingen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest van 19 februari 2026 zijn immers mutatis mutandis van toepassing voor dergelijke projecten, waarbij bestaande windturbines worden vervangen door grotere, krachtigere exemplaren, zij het weliswaar meestal op nagenoeg dezelfde locatie en/of percelen.

Om te vermijden dat repoweringsprojecten de toets aan de goede ruimtelijke ordening niet zouden doorstaan, kan het belang van een onderbouwd en afdoende gestoffeerd aanvraagdossier dan ook niet worden onderschat.

Voor verdere vragen of inzichten in dat verband staan de advocaten van Xirius uiteraard steeds te uwer beschikking.

Per arrest van 12 december 2025 (nr. C.24.0340.F) heeft het Hof van Cassatie een belangrijke verduidelijking gegeven over de verhouding tussen handelshuur en franchiseovereenkomst in het Waalse Gewest.

Deze beslissing bevestigt dat de bescherming van dwingend recht aan de handelshuurder niet kunnen worden ontzegd door contractuele clausules die het lot van de huurovereenkomst koppelen aan dat van de franchise.

In tal van franchisenetwerken worden de handelshuur en de franchiseovereenkomst gelijktijdig gesloten, voor een identieke looptijd en op een nauw met elkaar verweven wijze. In het voorliggende geval bepaalde de huurovereenkomst onder meer dat de gehuurde lokalen uitsluitend bestemd waren voor de uitbating van een verkooppunt van de franchise en dat het einde of de niet-hernieuwing van de franchiseovereenkomst automatisch het einde van de huurovereenkomst tot gevolg had.

Toen de franchisegever weigerde de franchise te hernieuwen, stelde hij dat de aanvraag tot hernieuwing van de handelshuur zonder voorwerp was geworden wegens deze ontbindende voorwaarde.

De appelrechter volgde deze redenering en oordeelde dat de ontbindende voorwaarde geldig was en dat de huurovereenkomst was geëindigd los van het wettelijk stelsel van hernieuwing. De huurder werd aldus niet alleen beroofd van de mogelijkheid om zijn uitbating van het handelsfonds in de lokalen verder te zetten, maar ook van het recht op een uitwinningsvergoeding.

Het Hof van Cassatie volgde deze analyse niet.

Het Hof herinnert eraan dat sinds het Waalse decreet van 17 juli 2018 de wetgeving inzake handelshuur integraal van toepassing is op huurovereenkomsten die worden gesloten in het kader van een commerciële samenwerkingsovereenkomst, waaronder franchiseovereenkomsten.

Het Hof benadrukt dat zowel het recht op hernieuwing van de handelshuur als, in geval van een ongerechtvaardigde weigering, het recht op een uitwinningsvergoeding dwingende rechten zijn die ten gunste van de huurder zijn voorzien.

Een contractuele clausule die tot gevolg heeft dat deze rechten, zelfs onrechtstreeks, worden uitgehold, kan geen uitwerking hebben.

De handelshuur behoudt derhalve haar juridische autonomie en eigen bescherming, zelfs wanneer zij nauw verbonden is met een franchiseovereenkomst.

Dit arrest past in een duidelijke tendens tot versterking van de bescherming van de franchisenemer-huurder tegen contractuele mechanismen die kunnen leiden tot een uitzetting zonder vergoeding.

Het arrest nodigt de economische actoren uit tot verhoogde waakzaamheid.

Franchisegevers en verhuurders doen er goed aan hun standaardclausules inzake bestemming van de lokalen en contractuele onderlinge afhankelijkheid te herbekijken.

Franchisenemers beschikken daarentegen over een sterk jurisprudentieel aanknopingspunt om hun rechten te doen gelden.

Het Hof van Cassatie bevestigt aldus dat, in het Waalse Gewest, de dwingende regels van het handelshuurrecht primeren op contractuele constructies, zelfs wanneer deze een gemeenschappelijke wil van de partijen weerspiegelen en zelfs wanneer zij gebruikelijk zijn in de praktijk van franchisenetwerken.

Dit arrest vormt een belangrijke referentie voor elke analyse of herstructurering van contracten die handelshuur en franchise combineren, althans voor het Waalse Gewest.

Aux termes d’un arrêt n° 264.419 du 2 octobre 2025, le Conseil d’Etat rappelle que la sélection qualitative des soumissionnaires est destinée, selon le texte de l’article 71 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics, « à garantir qu’un candidat ou un soumissionnaire dispose de la capacité juridique et financière ainsi que des compétences techniques et professionnelles nécessaires pour exécuter le marché à attribuer ». Cette sélection vise donc à exclure d’un marché les soumissionnaires qui – selon l’appréciation portée par le pouvoir adjudicateur lors de l’adoption des documents du marché – ne démontrent pas avoir les capacités requises pour l’exécuter.

Le Conseil d’Etat rappelle également que le pouvoir adjudicateur dispose d’un large pouvoir d’appréciation pour déterminer les critères de sélection qu’il estime liés et proportionnés à l’objet du marché. Ce pouvoir d’appréciation doit toutefois s’exercer dans le respect des articles 71 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics ainsi que de articles 65 et 68 de l’arrêté royal du 18 avril 2017 relatif à la passation des marchés publics dans les secteurs classiques, lesquels impliquent notamment que la démonstration, par un soumissionnaire, qu’il est satisfait au critère de sélection doit être apportée par l’un des moyens de preuve énumérés à l’article 68, § 4, de l’arrêté royal du 18 avril 2017.

Si l’article 68 de l’arrêté royal ne prescrit pas d’exigence réglementaire précise en matière d’attestation de bonne exécution, le Conseil d’Etat estime que ceci n’interdit pas au pouvoir adjudicateur d’exiger des documents permettant de vérifier la réalité des références présentées. Celui-ci doit en effet pouvoir s’assurer que les services mentionnés ont bien été exécutés.

Dans cette affaire, un critère de sélection relatif à la capacité technique imposait la communication d’au moins trois références de services similaires réalisés dans les trois dernières années, pour un montant minimal de 2.000 EUR HTVA et appuyés par des attestations de bonne exécution mentionnant les dates et montants des prestations. Contrairement à ce qui était soutenu par la partie requérante, le Conseil d’Etat a considéré, prima facie, que cette exigence respectait l’article 68 de l’arrêté royal du 18 avril 2017 : dès lors que le pouvoir adjudicateur doit pouvoir s’assurer de la réalité des services fournis par les soumissionnaires au titre de références qu’ils invoquent à l’appui de leur offre, il n’apparaît en effet pas manifestement déraisonnable d’avoir invité ceux-ci à produire avec leur offre des attestations de bonne exécution.

Etant donné que, dans l’affaire en cause, les attestations demandées n’avaient pas été fournies par le soumissionnaire ayant saisi le Conseil d’Etat, ce dernier a estimé que le pouvoir adjudicateur pouvait légitimement considérer que le soumissionnaire ne satisfaisait pas au critère de sélection concerné.

Doing business in EuropeDownloaden

Le 1er août 2025, la CJUE a rendu un arrêt ayant trait à l’articulation entre la consultation des autorités concernées imposée par l’article 6, §1er de la directive EIE et la consultation du public concerné imposée par l’article 6, §§2 et 3 de cette même directive[1].

La Cour a constaté que, d’une part, l’article 6, §1er de la directive EIE n’établit pas à quel stade du processus d’évaluation la consultation des autorités doit intervenir (points 42 à 44) et, d’autre part, que les paragraphes 2 et 3 de l’article 6 ne mentionnent pas, parmi les informations devant être communiquées au public ou mises à la disposition du public concerné, les avis formulés par les autorités au titre de cet article 6, §1er (point 45).

La Cour constate par conséquent que les dispositions de la directive n’imposent pas que la consultation des autorités concernées doive nécessairement intervenir avant la consultation du public concerné et n’imposent pas que le public concerné soit en toutes hypothèses en mesure de communiquer ses observations sur les avis rendus par les autorités (point 49 de l’arrêt).

La Cour estime par conséquent qu’ « il est loisible pour les États membres de réaliser les consultations des autorités susceptibles d’être concernées par le projet, en raison de leurs responsabilités spécifiques en matière d’environnement ou de leurs compétences locales et régionales, d’une part, et du public concerné, d’autre part, concomitamment et sans que ce dernier soit ensuite habilité à adresser, à l’autorité ou aux autorités compétentes pour autoriser ledit projet, ses observations et avis sur les avis donnés dans ce cadre par les autorités consultées, comme ce fut le cas en l’occurrence » (point 50).

Cet arrêt intervient au départ d’un litige ayant trait à l’autorisation de construction et d’exploitation d’un parc éolien.

Soulignons à cet égard que, dans un litige également relatif à la mise en œuvre d’un parc éolien en région wallonne, le Conseil d’État de Belgique a récemment déjà dit pour droit que : « L’articulation des dispositions applicables en termes de réalisation de l’étude d’incidences sur l’environnement, d’enquête publique et de demandes d’avis implique que les avis émis par les différentes instances consultées sont émis après la réalisation de l’étude d’incidences et de l’enquête publique. Ainsi, les éventuelles recommandations du DNF et leur mise en œuvre ne font, en principe, pas partie des éléments faisant l’objet de cette étude ou de l’enquête publique. L’apport de ces éléments n’impose pas de procéder à un complément d’étude et une nouvelle consultation du public » (C.E., arrêt n° 259.843 du 24 mai 2024).

L’enseignement de cet arrêt est renforcé par l’arrêt prononcé par la CJUE ce 1er août 2025 en ce qu’il est désormais établi que, en son principe, l’articulation de la phase de participation du public avec la consultation des instances d’avis mise en œuvre par la réglementation wallonne est conforme à la directive 2011/92/UE.


[1] C.J.U.E., arrêt Asociacion Autonomica Ambiental e Cultural Peton do Lobo, 1er août 2025, C-461/24.

Contexte

Dans le cadre d’un marché public portant sur la fourniture de « Titres-repas » et de « Chèques-cadeaux destinés au personnel », un pouvoir adjudicateur a prévu, pour le critère d’attribution lié au prix, une formule de calcul des points reposant sur une règle de trois. Ainsi, l’offre présentant le prix le plus bas se voit attribuer le maximum de points tandis que les autres soumissionnaires obtiennent une note proportionnelle, calculée en fonction de ce prix de référence.

Lors de l’analyse des deux offres reçues, une difficulté est néanmoins survenue. L’un des soumissionnaires ayant proposé la gratuité de ses services (prix nul), le pouvoir adjudicateur a estimé qu’il n’était pas en mesure d’appliquer la formule de calcul prévue au cahier spécial des charges. En effet, l’application d’une règle de trois sur la base d’un prix égal à zéro conduit mathématiquement à l’attribution d’une note nulle à l’ensemble des soumissionnaires.

Par souci d’égalité de traitement entre les soumissionnaires et eu égard au faible écart entre la gratuité proposée par l’un et le prix de 0,01 EUR proposé par l’autre, le pouvoir adjudicateur a décidé de ne pas appliquer la formule de calcul initialement prévue dans le cahier spécial des charges et d’attribuer le maximum de points à chacun des soumissionnaires s’agissant du critère lié au prix.

Dès lors que le soumissionnaire ayant remis un prix nul ne s’est finalement pas vu attribuer le marché, celui-ci a saisi le Conseil d’Etat en vue d’obtenir la suspension de la décision d’attribution dudit marché sur la base des arguments suivants :

Appréciation du Conseil d’Etat

Aux termes de son arrêt n° 263.800 du 27 juin 2025, le Conseil d’Etat a estimé que le fait qu’il soit mathématiquement impossible pour un pouvoir adjudicateur d’appliquer la méthode de cotation initialement prévue dans son cahier spécial des charges, ne l’exonère cependant pas de son obligation de respecter la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics et les principes qui la sous-tendent.  

En outre, le Conseil d’Etat a considéré que la méthode de cotation finalement appliquée par le pouvoir adjudicateur conduit à attribuer un nombre identique de points à deux offres présentant pourtant des prix distincts. Il estime qu’en procédant ainsi, le pouvoir adjudicateur a altéré la portée du critère relatif au prix en ne valorisant pas l’offre économiquement la plus avantageuse et a méconnu le principe d’égalité de traitement entre les soumissionnaires.

Au vu de ce qui précède, le Conseil d’Etat a donc ordonné la suspension de la décision d’attribution attaquée.

Conclusion

Estimant qu’il ne lui appartient pas de déterminer, en lieu et place du pouvoir adjudicateur, la décision que ce dernier doit prendre lorsqu’il est confronté à un prix nul qui l’empêche d’appliquer la méthode de cotation prévue par le cahier spécial des charges, le Conseil d’Etat estime néanmoins que le fait de ne pas appliquer la méthode d’évaluation initialement prévue et d’attribuer une même cote à des soumissionnaires ayant proposé des prix différents méconnait la loi du 17 juin 2016 et les principes qui la sous-tendent, dont notamment le principe d’égalité de traitement entre les soumissionnaires.

Lorsqu’un marché public est passé dans un secteur permettant potentiellement la remise de prix nuls mais néanmoins réguliers, il appartient aux pouvoirs adjudicateurs de prévoir une formule de calcul qui reste applicable dans une telle hypothèse et qui permette de valoriser effectivement l’offre la plus basse, y compris en cas de prix nul.

Met een intussen veelbesproken arrest van 5 juni 2025 vernietigde het Grondwettelijk Hof het volledige Vlaams decreet van 16 juni 2023 inzake het ontslag van statutaire personeelsleden van lokale besturen. Deze uitspraak zorgt voor grote juridische en praktische gevolgen, zowel voor lokale en provinciale overheden als voor hun statutaire personeelsleden.

Het vernietigde Ontslagdecreet wilde de ontslagregels voor statutaire ambtenaren gelijktrekken met die van contractuele personeelsleden. Hierdoor werden dezelfde ontslaggronden en -procedures van toepassing op beide soorten personeelsleden. Daarnaast werd het begrip “kennelijk onredelijk ontslag” geïntroduceerd voor statutairen en werd de bevoegdheid bij betwistingen verschoven van de Raad van State naar de arbeidsrechtbanken en -hoven.

De vernietiging van het Ontslagdecreet betekent echter een terugkeer naar het vroegere juridische kader.

Omvang van de vernietiging

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het Ontslagdecreet in strijd was met de grondwettelijke standstill-verplichting, die verhindert dat bestaande rechtsbescherming wordt uitgehold. De kern van het probleem lag bij de bescherming van statutaire personeelsleden die onrechtmatig werden ontslagen. Onder het nieuwe regime konden zij uitsluitend aanspraak maken op een schadevergoeding, zonder dat het betrokken lokale bestuur gehouden was tot re-integratie. Dit gegeven vormde volgens het Hof een achteruitgang ten opzichte van de vorige rechtsbescherming, waarbij onrechtmatig ontslagen ambtenaren wel konden rekenen op re-integratie in geval van vernietiging van de ontslagbeslissing door de Raad van State.

Het Hof beschouwde de verschillende aspecten van de ontslagregeling als één onlosmakelijk geheel. Dit resulteerde in de vernietiging van het volledige Ontslagdecreet.

Terugkeer naar de oude juridische rechtssituatie

De vernietiging van het Ontslagdecreet heeft tot gevolg dat dient te worden teruggekeerd naar de rechtssituatie zoals deze bestond voorafgaand aan 1 oktober 2023. Vlaamse lokale besturen kunnen derhalve niet langer dezelfde ontslagregeling toepassen op hun statutaire en contractuele personeelsleden. Zij dienen opnieuw gebruik te maken van de traditionele procedures zoals vastgelegd in de artikelen 194 en 200 van het Decreet Lokaal Bestuur en artikelen 111 en 116 van het Provinciedecreet. Dit betekent een terugkeer naar de klassieke evaluatie- en tuchtprocedures met hun bijbehorende voorwaarden en de mogelijkheid tot ontslag van ambtswege en afzetting mits strikte naleving van de desbetreffende procedures.

Lokale besturen die hun lokale rechtspositieregeling (RPR) reeds hadden aangepast op basis van het vernietigde Ontslagdecreet, dienen deze wederom aan te passen. Hoewel de hiërarchie van rechtsnormen impliceert dat de decretale bepalingen automatisch primeren op een strijdige RPR, blijft het voor de rechtszekerheid en transparantie aangewezen om de RPR formeel in overeenstemming te brengen met het herstelde juridische kader.

Alle beslissingen die genomen werden tussen 1 oktober 2023 en 5 juni 2025 blijven onder het vernietigde decreet rechtsgeldig. Lokale besturen hoeven dus niet te vrezen voor re-integraties van reeds ontslagen statutaire personeelsleden. Voor ontslagen vanaf 6 juni 2025 geldt echter opnieuw het oude decretale regime, met alle bijhorende procedurele vereisten.

Specifieke impact voor langdurig zieken

De vernietiging heeft eveneens gevolgen voor Vlaamse lokale besturen en hun statutaire personeelsleden die langdurig arbeidsongeschikt zijn. Vóór de vernietiging van het Ontslagdecreet hadden deze besturen en hun personeelsleden sinds 1 oktober 2023 immers meer strategische opties zoals de procedure inzake medische overmacht gebaseerd op de Arbeidsovereenkomstenwet en op de Codex Welzijn op het Werk, naast de klassieke piste van het medisch pensioen via Medex. Na de vernietiging van het Ontslagdecreet valt de eerste optie echter weer weg. Dit is jammer omdat de figuur van de medische overmacht een praktische en definitieve oplossing kon bieden voor complexe medische situaties.

De timing van de vernietiging van het Ontslagdecreet is in dit verband ook wat ongelukkig. Immers werd ook de klassieke optie van het medisch pensioen net hervormd en wordt het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid afgebouwd. Sinds 1 januari 2025 kan een statutair personeelslid nog slechts voor maximaal drie jaar tijdelijk op pensioen worden gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid, waarna het personeelslid in principe moet terugkeren. Een definitieve beëindiging van de statutaire band via deze route is dus niet aan de orde.

Vanaf 1 januari 2028 verdwijnt het ziektepensioen volledig met de invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren (TAVA). De betrokkene blijft tijdens de TAVA gewoon in dienst van het bestuur en de TAVA betreft dus een nieuwe administratieve stand. Dit nieuwe systeem verplicht besturen om effectieve re-integratie-inspanningen te leveren.

In de praktijk betekent dit dat zowel het bestuur als het langdurig arbeidsongeschikte personeelslid over minder mogelijkheden beschikt.

De vernietiging maakt een grondige herziening van het personeelsbeleid bij lokale en provinciale besturen noodzakelijk. De lokale rechtspositieregelingen die werden aangepast conform het vernietigde decreet, dienen te worden herzien. Juridische adviezen die gebaseerd waren op het Ontslagdecreet behoeven eveneens bijstelling. Ontwerpen van dadingen en minnelijke akkoorden die stoelden op de nieuwe mogelijkheden, dienen te worden heroverwogen.

Toekomstperspectief

De vernietiging van het Vlaams Ontslagdecreet betekent echter niet noodzakelijkerwijze het einde van de evolutie in het lokaal personeelsrecht. Het is niet uitgesloten dat de Vlaamse regering een nieuw decreet zal uitwerken dat tegemoetkomt aan de bezwaren van het Grondwettelijk Hof. Een aangepaste herinvoering van het Ontslagdecreet, het behoud van bepaalde elementen ervan of de ontwikkeling van een volledig nieuw regelgevend kader behoren tot de mogelijkheden.

In afwachting van dergelijke ontwikkelingen is het aan de lokale besturen om hun organisatiebeleid juridisch sluitend te maken, administratieve beslissingen zorgvuldig te motiveren en hun personeelsbeheer zodanig aan te passen dat het blijft voldoen aan de beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur.

Hoewel bepaalde flexibele instrumenten wederom zijn komen te vervallen, blijven er binnen het traditionele kader oplossingen mogelijk. De sleutel ligt in een zorgvuldige juridische begeleiding en een proactief beleid.

Heeft u vragen over de gevolgen van deze vernietiging voor uw bestuur? Neem contact op met het team van Xirius Public voor advies op maat.