Wind mee voor windturbines? De Raad van State versoepelt de esthetische toets voor windturbines
Het Vlaamse vergunningenrecht gunt windturbines (en andere projecten van hernieuwbare energie) al geruime tijd een juridisch duwtje in de rug. Via de zogenaamde clicheringsregel van artikel 4.4.9 VCRO kunnen windturbines onder bepaalde voorwaarden worden vergund, ook in gebieden waar de gewestplanvoorschriften dit op het eerste gezicht niet toelieten.
Dat gold ook voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Toch bleek de weg naar een vergunning daar allesbehalve vanzelfsprekend. Een bijkomende esthetische toets maakte het immers bijzonder moeilijk om dergelijke projecten vergund te krijgen. Precies daar brengt de Raad van State nu verandering in.
Een bijkomende esthetische toets
Volgens de gevestigde rechtspraak gold in landschappelijk waardevol agrarisch gebied immers niet alleen een planologische toets, maar ook een afzonderlijke esthetische toets.[1] Artikel 15.4.6.1 van het Inrichtingsbesluit bepaalt immers dat handelingen en werken in landschappelijk waardevolle gebieden slechts kunnen worden toegelaten voor zover zij “de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”.[2] Deze zinsleden zag de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet als een louter bestemmingsvoorschrift waardoor zij oordeelde dat dit niet viel onder het toepassingsgebied van artkel 4.4.9 VCRO. Er kon van dit voorschrift met andere worden niet worden afgeweken op basis van de clicheringsregel. Daardoor ontstond een tweevoudige beoordeling. Zelfs wanneer een project de toets van artikel 4.4.9 VCRO doorstond (planologische toets), moest de vergunningverlenende overheid nog steeds aantonen dat de schoonheidswaarde van het landschap niet werd aangetast (esthetische toets).
Die esthetische toets, of meer in het bijzonder de rechtspraak rond deze esthetische toets, bleek in de praktijk echter vaak bijzonder streng.
Alzo mocht de overheid zich enkel baseren op landschappelijke elementen binnen het betrokken landschappelijk waardevol agrarisch gebied.[3] Landschapselementen buiten de contouren van het gebied mochten in beginsel niet als referentie worden gebruikt om de impact van een project te relativeren. Daarnaast werd consequent geoordeeld dat een reeds bestaande aantasting van het landschap niet kon worden aangegrepen om een bijkomende aantasting te verantwoorden.[4] Dat er reeds windturbines, infrastructuur of andere verstorende elementen aanwezig waren, betekende dus niet dat nog meer verstoring kon worden toegestaan.
Voor projectontwikkelaars vormde deze esthetische toets daardoor vaak een aanzienlijke juridische hinderpaal.
Een nieuwe wind vanuit de Raad van State – maar de waarde van het landschap blijft relevant
Met haar arrest van 2 juli 2026 lijkt de Raad van State deze rechtspraak grondig bij te sturen.[5] De Raad oordeelt immers dat – in afwijking van de voorgaande vaste rechtspraak – de zinsnede “voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen” wel moet worden beschouwd als een bestemmingsvoorschrift. En precies van dergelijke bestemmingsvoorschriften kan op grond van artikel 4.4.9 VCRO – i.e. de clicheringsregel – worden afgeweken.
“Op grond van artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit mogen in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de agrarische bestemming, “voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”.
De zinsnede “voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”, is een stedenbouwkundig voorschrift dat betrekking heeft op de omschrijving van het bestemmingsgebied, en maakt aldus een bestemmingsvoorschrift uit in de zin van het eerste lid van artikel 4.4.9, § 1, VCRO, ook al wordt hierin niets gezegd over de functies en activiteiten die er worden toegelaten, en gaat het veeleer om een voorschrift dat gericht is op het behoud van de ruimtelijke voorwaarden waarin de principieel toegelaten functies en activiteiten moeten passen.”
Dat betekent dat de klassieke esthetische toets – de daarbij horende strenge rechtspraak – niet langer als een afzonderlijke, bijkomende drempel bovenop de planologische dient te worden toegepast. Er kan immers van dit bestemmingsvoorschrift worden afgeweken op basis van artikel 4.4.9 VCRO. Op het eerste gezicht lijkt daarmee een belangrijk obstakel voor windturbines in landschappelijk waardevol agrarisch gebied te verdwijnen.
De Raad van State voegt echter meteen een belangrijke nuance toe. Hoewel van het esthetische bestemmingsvoorschrift kan worden afgeweken met de clicheringsregel, ontslaat dat de vergunningverlenende overheid niet van de verplichting om de impact van een project op de landschappelijke kwaliteiten van het gebied te beoordelen. Volgens de Raad maakt de schoonheidswaarde immers deel uit van die landschappelijke kwaliteiten. Bij de beoordeling van de aanvraag zal de vergunningverlenende overheid nog steeds moeten onderzoeken in welke mate het project de schoonheid van het landschap aantast. Zij zal daarbij echter het belang van het behoud van het landschap moeten afwegen tegen de ernst van de verstoring:
“Dit voorschrift houdt aldus in dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de oprichting van windturbines in (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied een lokalisatienota dient op te maken waarin onder meer de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van de eventuele verstoring van de landschappelijke kwaliteiten dienen te worden beschreven en geëvalueerd. Het behoort vervolgens de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid, te beoordelen of de effecten van de inplanting ten aanzien van de eventuele verstoring van de landschappelijke kwaliteiten, behoorlijk werden beschreven en geëvalueerd, en of die effecten in voorkomend geval in de weg staan van de aangevraagde oprichting van de windturbines.”
De esthetische toets verdwijnt dus niet volledig.
Meer beoordelingsvrijheid?
De hamvraag is uiteraard welke concrete gevolgen deze nieuwe rechtspraak zal hebben.
Hoewel er nog steeds een verplichting zal gelden om een esthetische toets uit te voeren, heeft het wijzigen van de wettelijke grondslag van deze verplichting weldegelijk gevolgen voor de praktijk. Zoals hierboven reeds vermeld, zal de strenge rechtspraak gecreëerd rond de toets aan de schoonheidswaarde van het landschap op grond van het Inrichtingsbesluit immers niet meer van toepassing zijn.
Alzo zal er nu wél rekening gehouden mogen worden met landschapselementen of constructies die buiten het landschappelijk waardevol agrarisch gebied liggen. De vergunningverlenende overheid lijkt hierdoor een ruimere discretionaire bevoegdheid ter zake te krijgen. Anderzijds valt op dat de Raad van State tegelijk benadrukt dat de schoonheid van het landschap een relevante landschappelijke kwaliteit blijft en dus uitdrukkelijk moet worden meegewogen.
De vraag is dan ook of de praktische impact uiteindelijk even groot zal blijken als op het eerste gezicht wordt aangenomen.
To be continued…
Hoe groot de beoordelingsvrijheid van vergunningverlenende overheden in de praktijk werkelijk zal zijn, zal pas blijken uit de rechtspraak die de komende jaren zal volgen.
In ieder geval blijft het niet bij dit ene arrest: Ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen lijkt de door de Raad van State uitgezette lijn reeds te volgen.[6]
[1] Zie o.a. RvVb 4 november 2021, nr. RvVb-A-2122-0183, Regionale actiegroep leefmilieu Dender en Schelde vzw.; RvVb, 25 maart 2021, A-2021-0782, Vercaemst. ; RvS 2 maart 2017, nr. 237.530., Stad Aarschot.
[2] O. COOPMAN, “De gewestplannen Inhoudelijke regeling: de bestemmingsvoorschriften” in boek – In: X., Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2018, Mechelen, Kluwer, 2017, 157.
[3] RvVb 21 november 2024, nr. RvVb-A-2425-0219, gemeente Asse . RvVb 16 januari 2025, nr. RvVb-A-2425-0397, Vervoort e.a.
[4] RvVb 21 november 2024, nr. RvVb-A-2425-0219, gemeente Asse ; RvVb 16 januari 2025, nr. RvVb-A-2425-0397, Vervoort e.a. ; RvVb 29 september 2022, nr. RvVb-A-2223-0079, Vervoort e.a;
[5] RvS 2 juli 2026, nr. 267.315, Nv Aspiravi.
[6] RvVb 13 augustus 2026, nr. RvVb-2526-1052, Luminus nv.