Contactez-nous
Retour à tous les articles

Van detentiehuizen naar windturbines: kan klimaat een beleidsmatige hoogdringendheid uitmaken in schorsingsprocedures voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen?

In een schorsingsarrest van 23 juli 2026 schorste de Raad voor Vergunningsbetwistingen een beslissing waarbij een vergunningsaanvraag voor een detentiehuis onontvankelijk en onvolledig werd verklaard. Opmerkelijk is dat de Raad daarbij aanvaardde dat de overbevolking en de mensonwaardige omstandigheden in Belgische gevangenissen een beleidsmatig dringend te verhelpen situatie uitmaken die de vereiste hoogdringendheid kan verantwoorden. Biedt dit arrest ook aanknopingspunten om klimaatmaatregelen, zoals windenergieprojecten, als beleidsmatig hoogdringend te beschouwen?

Het schorsingsarrest van 23 juli 2026 onder de loep

Het schorsingsarrest[1] betreft een beroep tegen de beslissing waarbij de vergunningsaanvraag van de Regie der Gebouwen voor de functiewijziging van een horecapand naar een detentiehuis in Zelzate onontvankelijk en onvolledig werd verklaard. De Regie der Gebouwen vordert de schorsing en vernietiging van die beslissing.

Zoals in elke schorsingsprocedure dient de verzoekende partij onder meer de hoogdringendheid van haar vordering aan te tonen. In dat verband wijst de Regie der Gebouwen erop dat zij belast is met de uitvoering van het federale beleid inzake detentiehuizen en dat de verwerving en omvorming van het betrokken pand kadert binnen het strafuitvoeringsbeleid van de Belgische Staat. Daarnaast benadrukt zij dat de bestreden beslissing reeds de vierde opeenvolgende niet-ontvankelijkverklaring van dezelfde aanvraag betreft, zonder dat zij de kans kreeg om eventuele onvolledigheden te verhelpen. Volgens haar wijst dit op een manifeste onwil van de gemeente Zelzate om de aanvraag op een correcte wijze te behandelen.

Opmerkelijk is evenwel dat de Regie der Gebouwen haar hoogdringendheid niet uitsluitend steunt op procedurele bezwaren. Zij voert tevens aan dat de benadeling verband houdt met het hoger maatschappelijk belang dat zij moet behartigen. Meer bepaald wijst zij op de noodzaak om via onder meer detentiehuizen de structurele overbevolking in Belgische gevangenissen tegen te gaan. Daarbij verwijst zij naar de herhaalde veroordelingen van de Belgische Staat wegens de mensonwaardige omstandigheden in de gevangenissen. Tegen die achtergrond stelt zij dat de realisatie van bijkomende detentiehuizen een dringende maatschappelijke noodzaak vormt.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: de Raad) volgt die redenering. Ze stelt vooreerst vast dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat de Regie der Gebouwen de functiewijziging naar een detentiehuis consequent en met de vereiste voortvarendheid heeft nagestreefd. Daarnaast oordeelt de Raad dat de aanvraag betrekking heeft op een ‘beleidsmatig dringend te verhelpen situatie’, namelijk de overbevolking en de mensonwaardige omstandigheden in de Belgische gevangenissen. Op grond daarvan besluit de Raad dat aan de vereiste van hoogdringendheid is voldaan.

Beleidsmatige hoogdringendheid voor het eerst expliciet aanvaard?

In de eerdere rechtspraak van de Raad werd een beleidsmatige noodzaak niet eerder zo expliciet aanvaard als grondslag voor de vereiste hoogdringendheid.

De Raad stelde in een eerder arrest wel uitdrukkelijk dat “er maar sprake kan zijn van hoogdringendheid als de bestreden beslissing de uitvoering van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid belast is, verhindert of in ernstige mate bemoeilijkt (…)”.[2]

Tegelijkertijd heeft de Raad consequent benadrukt dat de beoordeling van de hoogdringendheid een feitenkwestie is die in het licht van de concrete omstandigheden van elke zaak moet worden beoordeeld.[3] In de tot dusver gepubliceerde rechtspraak kwam de Raad evenwel telkens tot het besluit dat niet afdoende was aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de uitvoering van de betrokken overheidstaak daadwerkelijk verhinderde of ernstig bemoeilijkte.

Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat de Raad in het hier besproken schorsingsarrest voor het eerst zo uitdrukkelijk lijkt te aanvaarden dat een beleidsmatig dringend te verhelpen situatie de vereiste hoogdringendheid kan onderbouwen. Waar de nadruk in eerdere zaken vooral lag op de concrete impact van de bestreden beslissing op de uitvoering van een bestuurstaak, wordt hier expliciet verwezen naar een structureel maatschappelijk probleem, namelijk de overbevolking en de mensonwaardige omstandigheden in de Belgische gevangenissen, als element dat de hoogdringendheid mee rechtvaardigt.

Kan ook de klimaatproblematiek een beleidsmatig dringend te verhelpen situatie vormen?

Het detentiehuizenarrest roept de vraag op of ook klimaatmaatregelen kunnen worden beschouwd als een beleidsmatig dringend te verhelpen situatie. In het bijzonder rijst de vraag of die redenering kan worden doorgetrokken naar vergunningsbeslissingen voor hernieuwbare energieprojecten, zoals windturbines. Voor die vaststelling bestaan alvast aanknopingspunten in het huidige beleids- en regelgevend kader, alsook in de rechtspraak.

  1. 1. De groeiende beleidsmatige urgentie van klimaat- en energieprojecten

Zowel op internationaal, Europees als Vlaams niveau wordt steeds nadrukkelijker gewezen op de noodzaak om klimaatverandering tegen te gaan en de samenleving weerbaarder te maken tegen de gevolgen ervan. De urgentie van zowel klimaatmitigatie als klimaatadaptatie vormt vandaag een centraal uitgangspunt van het klimaat- en energiebeleid.

Een essentieel onderdeel van dat beleid is de versnelde omschakeling van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen, waaronder zonne- en windenergie. Tegen die achtergrond hebben zowel de Europese als de Vlaamse wetgever de voorbije jaren diverse initiatieven genomen om de uitrol van hernieuwbare energieprojecten te versnellen. Hierna wordt kort ingegaan op het belangrijkste beleids- en regelgevend kader dat in dat verband relevant is.

Op Europees niveau kan vooreerst worden gewezen op het RePowerEU-plan van de Europese Commissie. Dat plan beoogt niet alleen de afhankelijkheid van Russische fossiele brandstoffen af te bouwen, maar benadrukt ook de cruciale rol van hernieuwbare energie, en in het bijzonder windenergie, bij het realiseren van de Europese energie- en klimaatdoelstellingen.[4]

Daarnaast vormt de Renewable Energy Directive[5] (RED III) het centrale Europese wetgevingsinstrument inzake hernieuwbare energie. De richtlijn beoogt een aanzienlijke verhoging van het aandeel hernieuwbare energie in de Europese Unie tegen 2030 en bevat verschillende maatregelen om vergunningsprocedures voor hernieuwbare energieprojecten te versnellen.

In dat verband is vooral van belang dat artikel 16septies van RED III uitgaat van een weerlegbaar vermoeden dat hernieuwbare-energieprojecten een hoger openbaar belang dienen en bijdragen tot de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Daarmee erkent de Europese wetgever uitdrukkelijk het bijzondere maatschappelijke belang van dergelijke projecten. In Vlaanderen werd de RED III onder meer omgezet via het decreet van 6 maart 2026 tot wijziging van verschillende decreten van het beleidsdomein Omgeving, in het kader van de implementatie van Europese regelgeving over hernieuwbare energie, kritieke grondstoffen en nettonultechnologie[6].

Bovendien wordt ook op Vlaams niveau wordt de versnelde uitrol van hernieuwbare energie al geruime tijd als een beleidsprioriteit beschouwd. Die ambitie komt onder meer tot uiting in het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030[7] (VEKP). Daarin engageert Vlaanderen zich om de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk terug te dringen en het aandeel hernieuwbare energie verder te verhogen. Voor windenergie worden daarbij concrete capaciteitsdoelstellingen vooropgesteld, die de komende jaren een aanzienlijke uitbreiding van het bestaande windturbinepark vereisen.

Die beleidsmatige ambitie werd verder aangescherpt in het Vlaams regeerakkoord 2024-2029[8]. Daarin wordt gestreefd naar een verdere verhoging van de klimaatambities tegen 2030, gekoppeld aan een aanzienlijke uitbreiding van de productiecapaciteit voor hernieuwbare energie. Voor windenergie op land wordt gemikt op een geïnstalleerde capaciteit van 2,8 GW tegen 2030, wat een jaarlijkse bijkomende realisatie van ongeveer 160 MW veronderstelt. Daarnaast wordt ingezet op een versterking van het elektriciteitsnet en bijkomende opslagcapaciteit.

Daarbovenop moet gewezen worden op artikel 7.1/2.1 van het Vlaamse Energiedecreet dat stipuleert dat “de bouw en de aanleg, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur, van productie installaties voor warmtekrachtkoppeling en hernieuwbare energie, in ieder geval windturbines, beschouwd [worden] als zijnde van maatschappelijk belang.” De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat deze bepaling een kapstok is “om voor de toepassing in de sectorale regelgevingen te worden meegenomen”.[9]

Uit deze beleids- en wetgevende documenten blijkt dat de uitrol van hernieuwbare energieprojecten niet louter wenselijk wordt geacht, maar als een noodzakelijke voorwaarde wordt beschouwd om de Vlaamse, Belgische en Europese klimaat- en energiedoelstellingen te realiseren. De overheid heeft zich daarbij niet beperkt tot algemene beleidsverklaringen, maar heeft concrete en meetbare doelstellingen vastgelegd waarvan de verwezenlijking tijdsgebonden is.

Hoewel de beleidsmatige ambities duidelijk zijn, verloopt de realisatie ervan in de praktijk aanzienlijk moeizamer. Dat geldt in het bijzonder voor windenergie op land. Eind 2025 stond de teller op een totaal van 722 operationele windturbines in Vlaanderen, met een totaal vermogen van 1929MW. Daarmee zit Vlaanderen veraf van het aantal windturbines dat er jaarlijks opgeleverd moet worden om de Vlaamse doelstelling van 2800 MW te halen tegen 2030.[10] In de eerste helft van 2026 zijn er bovendien slechts 2 windturbines bijgekomen, waardoor er niet meteen vooruitgang in het zicht is.[11]

Net die toenemende kloof tussen de vooropgestelde beleidsdoelstellingen en de feitelijke realisatie ervan kan worden aangevoerd als een bijkomende indicatie dat de uitrol van hernieuwbare energie-installaties vandaag niet enkel een beleidsdoelstelling, maar ook een beleidsmatig dringend te verhelpen situatie vormt.

  1. 2. Van beleidsdoelstelling naar juridisch beoordelingscriterium

Een recent arrest van de Raad biedt alvast interessante aanknopingspunten om het klimaat als meer dan een loutere beleidsdoelstelling te beschouwen.[12] In dit arrest oordeelt de Raad expliciet dat de zorg voor het klimaat niet enkel een beleidsmatige achtergrond vormt, maar deel uitmaakt van de belangenafweging die een vergunningverlenende overheid moet verrichten in het kader van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening.

De zaak had betrekking op een vergunning voor windturbines. Daarbij speelden niet alleen de Europese regels inzake hernieuwbare energie een rol, maar ook de Europese klimaat- en energiedoelstellingen en de doelstellingen uit het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030. In dat verband wees de Gewestelijke Omgevingsvergunningscommissie (GOVC) onder meer op de ambitie van Vlaanderen om de productie van hernieuwbare energie aanzienlijk te verhogen en de geïnstalleerde capaciteit aan windenergie op land verder uit te bouwen tot 2,6 GW tegen 2030. Volgens de GOVC was het cruciaal om de vergunningsaanvraag voor windturbines positief te beoordelen in het licht van de lange termijnvisie om de doelstellingen duurzame ruimtelijke ontwikkeling te behalen.

De Raad bevestigt vervolgens uitdrukkelijk dat “de Europese klimaat- en energiedoelstellingen vergunningstechnische of omgevingsrechtelijke beoordelingselementen bevatten”. Nog belangrijker is de daaropvolgende vaststelling dat ook “de zorg voor het klimaat in de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening inbegrepen” is.

De juridische grondslag daarvoor vindt de Raad in artikel 1.1.4 VCRO. Die bepaling schrijft voor dat de ruimtelijke ordening gericht moet zijn op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij de verschillende maatschappelijke activiteiten en belangen tegen elkaar worden afgewogen.

Zo behandelt de Raad klimaat niet langer uitsluitend als een beleidsmatige ambitie, maar ook als een juridisch relevant beoordelingscriterium. Het gaat dan niet enkel om de vraag welke klimaatdoelstellingen de overheid nastreeft, maar ook of en op welke wijze die doelstellingen in een concrete vergunningsbeslissing zijn meegewogen.

Dat betekent uiteraard niet dat klimaatbelangen steeds de doorslag moeten geven. De Raad benadrukt immers dat de verschillende ruimtelijke behoeften en belangen in elk concreet geval tegen elkaar moeten worden afgewogen en niet noodzakelijk hetzelfde gewicht hebben, zoals ook de Raad van State eerder heeft bevestigd.[13]Andere belangen kunnen dus nog steeds de bovenhand halen.

De Raad oordeelt meer concreet dat het niet volstond dat de vergunningverlenende overheid aspecten zoals functionele inpasbaarheid, schaal, ruimtegebruik en hinder had beoordeeld. Nu uit de bestreden beslissing niet bleek dat ook de klimaatdimensie daadwerkelijk in aanmerking was genomen, achtte de Raad het motiveringsbeginsel geschonden.

  1. 3. Veroordeling van de federale, Vlaamse en Brusselse overheid wegens tekortkomend klimaatbeleid

In het besproken schorsingsarrest van 23 juli 2026 hecht de Raad onder meer belang aan het feit dat de Belgische Staat reeds meermaals werd veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wegens de mensonwaardige omstandigheden en de overbevolking in de gevangenissen. Die eerdere veroordelingen versterken de vaststelling dat sprake is van een beleidsmatig dringend te verhelpen situatie.

Hoewel niet door het EHRM, zijn de Belgische Staat en verschillende deelstaten ook reeds rechterlijk op de vingers getikt wegens tekortkomingen in hun klimaatbeleid. Zo oordeelde het Brusselse hof van beroep in de zogenaamde Klimaatzaak dat de federale overheid, het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (BHG) door hun ontoereikend klimaatbeleid een fout hebben begaan in de zin van artikel 1382 (oud) BW.[14] Het hof stelde bovendien vast dat dit beleid aanleiding gaf tot een schending van de artikelen 2 en 8 EVRM, omdat onvoldoende maatregelen werden genomen om de gevolgen van klimaatverandering voor het recht op leven en het recht op eerbiediging van het privéleven te voorkomen. Het hof legde daarop aan de betrokken overheden de verplichting op om de Belgische broeikasgasuitstoot tegen 2030 met 55% te verminderen ten opzichte van 1990.[15]

Voor het BHG bleef het overigens niet bij één veroordeling. Op 29 oktober 2025 veroordeelde de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel het BHG opnieuw wegens tekortkomend klimaatbeleid en meer bepaald omwille van een verouderd ruimtelijk ordeningsbeleid.[16] De aanhoudende verstedelijking en verharding van het BHG zouden er immers voor zorgen dat natuurlijke koolstofputten verloren gaan en dat inwoners versterkt blootgesteld worden aan de effecten van klimaatverandering.  

Deze rechtspraak moet bovendien worden gelezen in het licht van de huidige wetenschappelijke consensus over de ernst en urgentie van de klimaatverandering. Internationale wetenschappelijke rapporten wijzen al geruime tijd op de noodzaak van snelle en ingrijpende emissiereducties om de meest ernstige gevolgen van de klimaatverandering te beperken. Ook de Europese en Vlaamse klimaatdoelstellingen vertrekken uit die vaststelling.

Conclusie

Tegen voormelde achtergrond kan worden geargumenteerd dat klimaatbeleid, net als de problematiek van de gevangenisoverbevolking in het besproken schorsingsarrest, betrekking heeft op een structurele en dringend aan te pakken maatschappelijke uitdaging. De combinatie van rechterlijke veroordelingen, bindende klimaatdoelstellingen en de wetenschappelijke vaststelling dat uitstel de problematiek verder verergert, biedt alvast bijkomende argumenten om klimaatgerelateerde projecten in bepaalde omstandigheden als beleidsmatig hoogdringend te benaderen. Dat geldt in het bijzonder voor projecten die rechtstreeks bijdragen aan de realisatie van de klimaat- en energiedoelstellingen, zoals hernieuwbare energie-installaties.


[1] RvVb 23 juli 2026, nr. RVVB-2526-0987, Regie der Gebouwen.

[2] RvVb 3 juli 2018, nr. RvVb-S-1718-1084, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zomergem. Zie ook: RvVb 19 maart 2026, nr. RvVb-S-2526-0605, het college van burgemeester en schepenen van de sta Roeselare; RvVb 25 januari 2024, nr. RvVb-S-2324-0374, het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge; RvVb 3 september 2019, nr. RvVb-S-1920-0003, het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge e.a.; RvVb 24 september 2019, nr. RvVb-S-1920-0073, het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst; RvVb 22 oktober 2019, nr. RvVb-S-1920-0192, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle.

[3] RvVb 21 augustus 2015, nr. RvVb-UDN-2015-0018, Vandenbussche; RvVb 1 september 2015, nr. RvVb-UDN-2015-0021, Hertogen e.a.; RvVb 12 januari 2016, nr. RvVb-UDN-1516-0432, de leidend ambtenaar van het Agentschap Onroerend Erfgoed; RvVb 22 oktober 2020, nr. RvVb-S-2021-0186, Pluym ; RvVb 10 februari 2022, nr. RvVb-S-2122-0457, Vandewiele.

[4] Mededeling van de Europese Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van de Regio’s van 18 mei 2022 inzake het RePowerEU Plan, raadpleegbaar via: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52022DC0230&from=EN.

[5] Richtlijn (EU) nr. 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, Pb. L. 31 oktober 2023, http://data.europa.eu/eli/dir/2023/2413/oj.

[6] Decr.Vl. 6 maart 2026 tot wijziging van verschillende decreten van het beleidsdomein Omgeving, in het kader van de implementatie van Europese regelgeving over hernieuwbare energie, kritieke grondstoffen en nettonultechnologie, BS 27 maart 2026.

[7] Vlaamse Regering, Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030, definitief geactualiseerde versie zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 18 juli 2025, https://assets.vlaanderen.be/image/upload/v1757944812/repositories-prd/VR_2025_1209_DOC.0824-2_VEKP_-_bijlage_BIS_xyant1.pdf.

[8] Vlaamse Regering, Vlaams Regeerakkoord 2024-2029 – Samen werken aan een warm en welvarend Vlaanderen, https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/69476.

[9]  Parl.St. Vl.Parl. 2017-2018, nr. 1678/1, p. 35.

[10] VWEA, ‘Onshore windsector realiseerde afgelopen jaar nauwelijks 13 windturbines in Vlaanderen’, https://vwea.be/onshore-windsector-realiseerde-afgelopen-jaar-nauwelijks-11-windturbines-in-vlaanderen/.

[11] LESAFFER, P., ‘Eerste helft van dit jaar amper 2 nieuwe windmolens extra in Vlaanderen’, Het Nieuwsblad, 24 augustus 2026, https://www.nieuwsblad.be/politiek/eerste-helft-van-dit-jaar-amper-2-nieuwe-windmolens-extra-in-vlaanderen/160375325.html.

[12] RvVb 6 augustus 2026, nr. RvVb-2526-1029, Storm 77 bv.

[13] Zie onder meer: RvS 21 juni 2012, nr. 219.903, De Beleyr ; RvS 28 maart 2017, nr. 237.834, Van Heule e.a.; RvS 29 april 2020, nr. 247.468, De Keersmaeker e.a.; RvS 20 mei 2022, nr. 253.826, Vandeweyer e.a.; RvS 4 oktober 2024, nr. 260.928, O.E.

[14] HvB Brussel (2e k.) (Fr.) 30 november 2023, nrs. 2021/AR/1589, 2022/AR/737, 2022/AR/891, Klimaatzaak.

[15] DE BRUCKER L. en DANIELS D, ‘Het arrest in de klimaatzaak: Belgische overheden in zwaar weer of emissiereductiecijferfetisjisme ten voeten uit?’, STORM 2023/4, bijdrage 30.

[16] Rb. Brussel (4e k.) (Fr.) 29 oktober 2025, nr. 24/885/A, We Are Nature.Brussels.