De invloed van de geopolitieke context op het omgevingsrecht: het nieuw Defensiedecreet.
Ongeveer anderhalf jaar geleden, op 4 april 2025, keurde de Vlaamse regering het Vlaams Defensieplangoed. Dit plan kwam er naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne en het daaropvolgende “Rearm Europe”-plan en bundelt verschillende acties en beleidsinitiatieven die de defensiesector in Vlaanderen moeten stimuleren.
Onder het motto “si vis pacem, para bellum” (als je vrede wil, bereid je dan voor op oorlog), omvat het plan 10 kernpijlers, die onder meer betrekking hebben op actiedomeinen zoals investeringen in de defensie-industrie, het stimuleren van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, crisisparaatheid en cyberveiligheid. Onze aandacht gaat daarbij voornamelijk uit naar het actiedomein “omgevingsvergunningen”, waarmee een snellere en soepelere omgevingsvergunningsprocedure wordt gecreëerd.
Ter uitvoering van het Defensieplan heeft de Vlaamse regering daarom op 3 juli 2026 het Defensiedecreet (decreet over afwijkingen op de omgevingsvergunningsplicht, omgevingsmelding en andere toelatingen in geval van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie) bekrachtigd. Dit decreet treedt in werking op 14 augustus 2026 en is van toepassing op zogenaamde “defensiegerelateerde uitzonderingssituaties”. In deze blogpost nemen we deze afwijkingen op de omgevingsvergunningsplicht, -meldingsplicht en andere toelatingen onder de loep.
Op heden bevat het omgevingsrecht hier en daar al aanknopingspunten met defensie. Zo bevat het Vrijstellingsbesluit[1] in artikel 8.3 de mogelijkheid om op een militair domein installaties en gebouwen van militair strategisch belang op te trekken zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Ook voor onder meer de aanleg van leidingen van militair strategisch belang en het plaatsen van afsluitingen is dit het geval. Het besluit vergunningsplichtige functiewijzigingen[2] voorziet in artikel 2, lid 2 dan weer in een vrijstelling voor een functiewijziging van hoofdfuncties naar militaire functie, voor zover het gaat om installaties of gebouwen van militair strategisch belang. Met het Defensiedecreet wordt aldus een breder uitzonderingsregime gecreëerd.
Zoals hierboven reeds vermeld, is deze sui generis omgevingsvergunningsprocedure algemeen genomen in het leven geroepen om sneller te kunnen schakelen in een crisissituatie, oftewel een “defensiegerelateerde uitzonderingssituatie”. Deze situatie wordt in het decreet als volgt gedefinieerd: “elke gebeurtenis of ernstige bedreiging die de fundamentele constitutionele, politieke, economische of sociale structuren van België of de Europese Unie ernstig kan destabiliseren en, met name, een rechtstreekse bedreiging kan vormen voor de samenleving, de bevolking of België of de Europese Unie als zodanig, met inbegrip van terroristische activiteiten, die een snelle opschaling van de productie of opslag van wapens, munitie of oorlogsmateriaal noodzakelijk maakt of het versneld klaarmaken van de wegeninfrastructuur, opdat deze voldoende inzetbaar is voor strategische militaire mobiliteit;”.[3]
De vraag stelt zich in de eerste plaats naar wie wanneer kan bepalen dat er zich een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie voordoet en hoe deze afgekondigd wordt. Het Defensiedecreet verduidelijkt dat de Vlaamse regering deze uitzonderingssituatie afkondigt voor een bepaalde duur, die maximaal twee jaar bedraagt en telkens verlengd kan worden voor een periode van maximaal één jaar.[4]
Hoewel defensie een uitsluitend federale bevoegdheid betreft, toont ook het Defensiedecreet opnieuw de complexiteit van het federale België aan. De afkondiging en de verlenging kan pas gebeuren op eensluidend advies van de federale regering. De Raad van State benadrukte in haar advies immers dat gewaakt moet worden over de bevoegdheidsverdeling en dat er geen discrepantie kan bestaan tussen de verschillende overheden over wanneer er al dan niet sprake zou zijn van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie. De vereiste van “eensluidend advies” geeft kent zodoende een vetorecht toe aan de federale regering en verzekert eenheid en coherentie.
In het decreet is tevens een democratische controle opgenomen; het besluit moet bekrachtigd worden bij decreet door het Vlaams Parlement.[5] Er zijn zodoende 3 checks and balances geïnstalleerd in het decreet: afgelijnde toepassingsgevallen; beperking in de tijd en toezicht door het parlement.
Eenmaal er sprake is van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie, heeft dit een impact op de vergunningsplicht zoals omschreven in artikel 4.2.1 (vergunningsplichtige handelingen) en artikel 4.2.2 (afwijkingen van de vergunningsplicht) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening[6], alsook op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit (klasse 1, 2 en 3) zoals vermeld in artikel 5.2.1. (vergunnings- en meldingsplicht) van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid[7]. Ook heeft het Defensiedecreet een impact op alle handelingen waarvoor een omgevingsvergunning, meldingsakte, vergunning, toestemming, ontheffing, machtiging of toelating vereist is overeenkomstig het Natuurdecreet[8], het Bosdecreet[9] en het Onroerenderfgoeddecreet[10] en hun uitvoeringsbesluiten. Voor al deze handelingen is geen omgevingsvergunning, meldingsakte, vergunning, toestemming, ontheffing, machtiging of toelating vereist op voorwaarde dat voldaan is aan 8 voorwaarden.
Zo moeten de handelingen (of de exploitatie) uitsluitend bestemd zijn voor de productie of opslag van wapens, munitie of oorlogsmateriaal, dan wel voor het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van wegen en hun aanhorigheden.[11] Dit moet noodzakelijk zijn om tot een snelle opschaling van de productie of opslag van wapens, munitie of oorlogsmateriaal over te gaan, hetzij om de wegeninfrastructuur versneld klaar te maken.
Belangrijk in dergelijke situatie is dat de handelingen (of exploitatie) niet mogen plaatsvinden in ruimtelijk kwetsbaar gebied, zoals bosgebieden, natuurreservaten, parkgebieden enz., noch in een speciale beschermingszone. Eveneens mogen de handelingen niet uitgevoerd worden aan of in goederen die erkend zijn als werelderfgoed.
Op dit moment is er in het Waalse, noch in het Brusselse Gewest een gelijkaardig wetgevingsinstrument bekend.
Op 18 juni 2025 werd door De Europese Commissie een voorstel voor een verordening betreffende versnelde vergunningverlening voor defensiegereedheidsprojecten aangenomen.[12] Daarin worden versnelde vergunningsprocedures vooropgesteld. Ondanks het wetgevingsproces hiervoor nog niet afgerond is, wenste Vlaanderen de uitkomst ervan niet af te wachten. Waarschijnlijk zal de Vlaamse decreetgever naar aanleiding van deze verordening het Defensiedecreet evenwel moeten aanvullen, dan wel aanpassen. Uiteraard volgen wij dit verder op.
[1] Besl. Vl. Reg. 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, BS10 september 2010.
[2] Besl. Vl. Reg. 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, BS 18 mei 2000.
[3] Artikel 3, 3°.
[4] Artikel 5, § 1.
[5] Artikel 5, § 2.
[6] Besl. Vl. Reg. 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening – Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, BS 20 augustus 2009, err. BS 27 juni 2012.
[7] Decr. Vl. 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, BS 3 juni 1996.
[8] Decr. Vl. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, BS 10 januari 1998.
[9] Bosdecreet 13 juni 1990, BS 28 september 1990.
[10] Decr. Vl. 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed, BS 17 oktober 2013.
[11] Artikel 6, §1, 1°.
[12] Voorstel voor een verordening 17 juni 2025 van het Europees Parlement en de Raad betreffende versnelde vergunningverlening voor defensiegereedheidsprojecten, COM(2025) 821.