Contactez-nous
Retour à tous les articles

Raad voor Vergunningsbetwistingen lijnt de contouren van de goede ruimtelijke ordeningstoets bij windprojecten verder af

Met een arrest van 19 februari 2026 schorste de Raad voor Vergunningsbetwistingen een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van drie windturbines langs E19 te Brecht. De Raad oordeelde in zijn arrest dat de Vlaamse Regering op het eerste gezicht niet concreet en zorgvuldig zou hebben gemotiveerd waarom de aangevraagde nieuwe en grotere windturbines verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening in het licht van de schaal, het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen (RvVb 19 februari 2026, nr. RvVb-S-2526-0514, X).

Hoewel het windpark in Brecht geen repoweringsproject betreft, is het arrest van 19 februari 2026 bijzonder interessant. De Raad voor Vergunningsbetwistingen geeft immers enigszins aan op welke wijze de Vlaamse Regering de toets aan de goede ruimtelijke ordening voor dergelijke projecten naar de toekomst toe zal moeten uitvoeren. Redenen genoeg dus om aan het arrest een blogpost te wijden.

Brechtse branie geeft aanleiding tot schorsing

Begin april 2025 dient een ontwikkelaar een omgevingsvergunningsaanvraag in voor de bouw en exploitatie van een windpark bestaande uit drie windturbines. De bedoeling van de ontwikkelaar is erin gelegen om drie bestaande windturbines met een tiphoogte van 150 m af te breken en te vervangen door drie nieuwe en krachtigere turbines met een maximale tiphoogte van 240 meter. Twee van de nieuwe windturbines worden opnieuw ingeplant langs de E19 (ongeveer op de locatie van twee van de af te breken windturbines), terwijl een derde windturbine verder weg van de E19 wordt voorzien.

De aanvraag wordt gunstig beoordeeld en op 3 oktober 2025 verleent de Vlaamse Minister van Omgeving een omgevingsvergunning. Enkele inwoners van de gemeente Brecht trekken evenwel hun Don Quichoteschoenen aan en leggen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen een verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing neer.

In het kader van de beoordeling van het schorsingsverzoek komt de Raad tot de conclusie dat er in hoofde van de omwonenden sprake is van hoogdringendheid. De omstandigheden dat de windturbines snel zouden kunnen worden gebouwd en dat de slagschaduw- en visuele hinder die de vergunde windturbines zullen genereren aanleiding dreigen te geven tot een aanzienlijke verzwaring van de bestaande ongemakken, kwalificeert de Raad immers als ernstige nadelige gevolgen die de aangevoerde hoogdringendheid kunnen staven.

Ook aan het vereiste dat er sprake moet zijn van minstens één ernstig middel wordt naar mening van de Raad voldaan. Op het gebied van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening schiet de beslissing van de minister van Omgeving naar mening van de Raad namelijk ernstig tekort.

Met betrekking tot de toetsing aan het beoordelingscriterium ‘schaal’, staat in de vergunning het volgende te lezen:

“Er wordt door dit project geen belangrijk verkleinend effect verwacht op de aanwezige landschappelijke structuren en elementen. De autosnelweg E19 en de HSL doorsnijden een open gevarieerd landschap dat reeds gekenmerkt wordt door verschillende operationele windturbines, deze windturbines vormen al een belangrijke infrastructurele barrière doorheen het landschap. De 3 nieuwe windturbines vervangen 3 bestaande windturbines in het landschap en sluiten qua schaal en opbouw aan bij het landschap. Het project overschrijdt de schaal en de opbouw van het gebied en de omliggende gebieden niet. De op te richten windturbines passen in het beeld van energielandschap langs de autosnelweg E19.”

De toelichting acht de Raad voor Vergunningsbetwistingen manifest onvoldoende in het licht van de onderzoeks- en motiveringsplicht die er in het kader van de goede ruimtelijke ordeningstoets op de vergunningverlenende overheid rust. De Raad zet in dat kader het volgende uiteen:

“Uit deze alinea blijkt op het eerste gezicht geen concrete beoordeling van de schaal van de nieuwe windturbines. Met haar beknopte motivering gaat de verwerende partij voorbij aan zowel het feit dat de aanvraag windturbines van een andere grootteorde bevat dan de drie bestaande windturbines als aan het feit dat WT3 op een gewijzigde plaats wordt ingeplant, met name veel verder van de E19 en de hogesnelheidslijn en in open landbouwlandschap. Aan de vraag of de schaal in het licht van die gewijzigde omstandigheden nog aanvaardbaar is, besteedt de verwerende partij geen aandacht. Nochtans rustte er op de verwerende partij op het eerste gezicht een verscherpte motiveringsverplichting in het licht van de bezwaren van de verzoekende partijen en het ongunstige advies van de tweede tussenkomende partij, waarin werd gewezen op deze gewijzigde omstandigheden.”

Ook de toelichting bij het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen acht de Raad vervolgens ontoereikend, aangezien de vergunningverlenende overheid zich zou beperkt hebben tot een beschrijving van de nieuwe windturbines, zonder uiteen te zetten waarom de nieuwe constructies – en zeker windturbine in open landbouwgebied – zich in de omgeving zouden integreren.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen besluit dan ook tot het ernstig karakter van het middel en schorst op 19 februari 2026 de vergunning voor het windproject.

De goede ruimtelijke ordeningstoets

Artikel 4.3.1., §1, eerste lid, 1°, d) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) stelt dat een vergunning wordt geweigerd indien het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.

Concreet veronderstelt het onderzoek van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening dat dat de vergunningverlenende overheid afdoende motiveert waarom het aangevraagde in zijn specifieke context past. Iedere omgeving heeft immers zijn eigen specifieke kenmerken, zodat het niet eenvoudig is om algemene regels vast te stellen over wat nu juist een goede ruimtelijke ordening voor een specifieke omgeving inhoudt.

Met betrekking tot de goede ruimtelijke ordeningstoets worden in de VCRO enkele criteria bepaald waaraan de overheid een aanvraag moet toetsen. Concreet gaat dit om de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten, het bodemreliëf, en op de hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen.

Indien na een toetsing van een project aan één of meerdere van deze criteria blijkt dat een aanvraag ongunstige on aanvaardbare effecten genereert, moet het project wegens strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening worden geweigerd.

De beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in het kader van windprojecten

Specifiek met betrekking tot vergunningsaanvragen voor windturbines is omzendbrief OMG/2025/01 ‘afwegingskader en randvoorwaarden voor de oprichting van windturbines’ van toepassing. Hoewel deze omzendbrief geen verordenend karakter heeft en een schending ervan op zich niet kan leiden tot de onwettigheid van een vergunning, biedt hij wel een afwegingskader voor het ruimtelijk (vergunnings)beleid met betrekking tot windturbines. Meer bepaald heeft de omzendbrief als doel een kader te scheppen “voor de optimale inplanting van windturbines voor een zo groot mogelijke productie van groene stroom om op die manier bij te dragen tot een duurzame energietransitie en een gedragen ontwikkeling van windenergie”.

De principes in omzendbrief OMG/2025/01 vormen in het kader van de vergunningverlening een algemene gedragslijn die de Vlaamse Regering heeft uitgezet. Daarmee veruitwendigt ze de wijze waarop de beoordeling van de verenigbaarheid van windturbines met de goede ruimtelijke ordening in beginsel zal gebeuren en welke elementen over het algemeen in beschouwing worden genomen om de ruimtelijke inpasbaarheid van dergelijke projecten af te wegen. Ook al heeft deze omzendbrief geen verordenend karakter, toch kan hij worden beschouwd als een beleidsmatig gewenste ontwikkeling, nu de overheid, om eenvormigheid te brengen in haar beleid en haar beslissingen, dergelijk beleid mag uitschrijven in een omzendbrief.

Wat de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening betreft, kan een vergunningverlenende overheid zich richten bijgevolg naar het door de omzendbrief aangereikte afwegingskader.

Dit betekent evenwel niet dat de toetsing van een aangevraagd project aan de goede ruimtelijke ordening kan worden beperkt tot een louter formalistische toetsing aan de in de omzendbrief opgenomen randvoorwaarden. De vergunningverlenende overheid moet het aangevraagde immers aan een concrete beoordeling onderwerpen.

Richtinggevende rechtspraak voor repoweringsprojecten

In het kader van de motivering van de omgevingsvergunning voor het windproject in Brecht beperkte de vergunningverlenende overheid zich m.b.t. de beoordeling van het criterium ‘schaal’ op het eerste gezicht tot een al te formele toetsing aan de omzendbrief OMG/2025/01. Daarin staat onder meer het volgende te lezen:

“In bepaalde grootschalige landschappen zullen grote windturbines veeleer ervaren worden als een aanvulling op het landschap. Windturbines zijn inmiddels ook tot het normale landschapsbeeld gaan behoren, zeker in de nabijheid van grote infrastructuren. Daar gelden zij als markeerders in het landschap. Bij de beoordeling van de impact van windturbines op het landschap, wordt in beginsel uitgegaan van een positieve benadering, dit tegen de achtergrond van de noodzakelijke energietransitie en de beleidsdoelstellingen inzake hernieuwbare energie.”

De minister leek er dienaangaande van uit te gaan dat er zich op het vlak van schaal geen probleem zou voordoen, aangezien het project betrekking heeft op de vervanging van bestaande windturbines, er zich in de omgeving heel wat andere molenwiekers bevinden en er reeds sprake is van een energielandschap in de buurt van grootschalige infrastructuren.

Vergelijkbare standpunten lijken in het licht van de nieuwe rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet langer mogelijk. In het besproken arrest komt de Raad namelijk tot de conclusie dat, zelfs al is er sprake van een vervanging, steeds een correcte schaalanalyse moet worden gemaakt wanneer bestaande windturbines worden omgeruild voor grotere exemplaren. Het feit dat er zich in de buurt reeds andere windturbines bevinden, doet daaraan geen afbreuk. Ook in dat geval lijkt de Raad immers te stellen dat er een verduidelijking dient plaats te vinden omtrent de redenen waarom de grotere windturbines qua schaalgrootte niet problematisch zijn in vergelijking met overige aanwezige windturbines en waarom de grotere afmetingen van de nieuwe windturbines op het gebied van de hinder die zij genereren vanuit goede ruimtelijke ordeningsoogpunt aanvaardbaar zijn.

Bovendien lijkt het besteden van de nodige aandacht aan de beoordelingscriteria die betrekking hebben op de goede ruimtelijke ordening des te belangrijker wanneer windturbines n.a.v. een vervanging op een andere locatie worden voorzien. Ervan uitgaan dat het vervangen van een windturbine op een licht gewijzigde locatie in het licht van de goede ruimtelijk ordening zomaar mogelijk is, lijkt nog weinig plausibel.

Windexploitanten die naar de toekomst voorzien om bestaande projecten te repoweren, houden in het kader van de opmaak van hun lokalisatienota’s, landschapsstudies en overige aanvraagdocumenten maar beter rekening met deze nieuwbakken rechtspraak. De bevindingen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest van 19 februari 2026 zijn immers mutatis mutandis van toepassing voor dergelijke projecten, waarbij bestaande windturbines worden vervangen door grotere, krachtigere exemplaren, zij het weliswaar meestal op nagenoeg dezelfde locatie en/of percelen.

Om te vermijden dat repoweringsprojecten de toets aan de goede ruimtelijke ordening niet zouden doorstaan, kan het belang van een onderbouwd en afdoende gestoffeerd aanvraagdossier dan ook niet worden onderschat.

Voor verdere vragen of inzichten in dat verband staan de advocaten van Xirius uiteraard steeds te uwer beschikking.