België mist Europese deadline voor natuurherstel: dreigt een nieuwe inbreukprocedure? 

België heeft de Europese deadline van 1 september 2026 voor het indienen van een nationaal natuurherstelplan gemist. Daarmee blijft ons land in gebreke bij de uitvoering van de Europese Natuurherstelverordening, één van de belangrijkste en meest controversiële Europese milieuwetten van de afgelopen jaren. Volgens de huidige planning zou het Belgische natuurherstelplan pas in de zomer van 2027 worden goedgekeurd, bijna een jaar na de Europese deadline. In het verleden startte de Europese Commissie reeds een inbreukprocedure op tegen België wegens het overschrijden van de deadline voor het geactualiseerd nationaal energie- en klimaatplan (NEKP). Dreigt opnieuw een inbreukprocedure voor België? 

De Natuurherstelverordening: een korte recap

De Europese Natuurherstelverordening[1] werd na een bijzonder moeizaam politiek parcours in juni 2024 definitief aangenomen. De verordening heeft tot doel gedegradeerde ecosystemen te herstellen, de biodiversiteit te versterken en de weerbaarheid van natuurgebieden te vergroten. Dat herstel is niet alleen van belang voor de natuur op zich, maar vormt ook een essentieel onderdeel van het Europese klimaatmitigatie- en adaptatiebeleid. Gezonde bossen, wetlands, graslanden en andere ecosystemen slaan immers grote hoeveelheden CO₂ op (klimaatmitigatie). Tegelijk helpen ze de gevolgen van klimaatverandering opvangen door onder meer steden te verkoelen, de waterhuishouding te verbeteren, de voedselzekerheid te versterken en het risico op natuurrampen te beperken (klimaatadaptatie). Met de verordening geeft de Europese Unie bovendien uitvoering aan haar internationale verbintenissen inzake biodiversiteit, in het bijzondere die welke voortvloeien uit het Verdrag inzake Biologische Diversiteit. 

Concreet legt de verordening gefaseerde bindende hersteldoelstellingen op, zowel ter land als ter zee. Tegen 2030 moeten herstelmaatregelen worden uitgevoerd in minstens 30% van de aangetaste ecosystemen die onder de verordening vallen. Daarbij moeten Natura 2000-gebieden prioriteit krijgen.[2]

Uitvoering en monitoring via nationale natuurherstelplannen 

Om die doelstellingen te realiseren, moeten de lidstaten een nationaal natuurherstelplan opstellen. In dat plan moeten ze onder meer kwantificeren welke oppervlaktes moeten worden hersteld en beschrijven welke herstelmaatregelen ze zullen nemen.[3] Een ontwerp van dat plan moest uiterlijk op 1 september 2026 worden voorgelegd aan de Europese Commissie.[4] België miste die deadline.

Gemiste deadline door gebrek aan definitieve gewestelijke natuurherstelplannen 

De verklaring voor de gemiste deadline ligt volgens het kabinet van federaal minister van onder meer Klimaat en Ecologische Transitie Jean-Luc Crucke (Les Engagés) bij het Brusselse en Waalse Gewest. Beide regeringen bevestigden dat zij hun deel van het werk niet afhebben. Brussels staatssecretaris voor onder meer Leefmilieu en Klimaat Ans Persoons (Vooruit) wijt deze tekortkoming aan het feit dat Brussel tot februari dit jaar geen regering had. Haar kabinet zou mikken op een goedkeuring van het Brusselse natuurherstelplan in september-oktober 2026. Het kabinet van Waals minister voor Natuur Ann-Catherine Dalcq (MR) geeft dan weer aan dat het Waalse plan dit najaar aan de Waalse regering ter goedkeuring voorgelegd zal worden.  Maar ook in Vlaanderen ligt er nog geen definitief plan voor. Dat plan moet immers nog afgeklopt worden door de Vlaamse regering, aldus minister van Omgeving Jo Brouns (CD&V).

De verwachting is dat het definitieve Belgische herstelplan goedgekeurd zal kunnen worden in de zomer van 2027. Dat is een jaar na de deadline.[5]

De Commissie geeft respijt, maar voor hoe lang?

De Europese Commissie ziet als hoedster van de Verdragen toe op de correcte uitvoering van het Unierecht. Wanneer een lidstaat zijn verplichtingen niet naleeft, kan zij een inbreukprocedure opstarten overeenkomstig artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Dat traject begint met een aanmaningsbrief en kan uiteindelijk uitmonden in een procedure voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ook het niet-naleven van een in een verordening vooropgestelde deadline kan aanleiding geven tot een inbreukprocedure. 

Voorlopig lijkt de Commissie zich begripvol op te stellen omwille van de ‘complexe inspanning’ die gevraagd wordt. Tegelijkertijd moedigt de Commissie de lidstaten aan om echte inspanningen te leveren voor de kladversie van het natuurherstelplan, zodat ze tijdig feedback kan geven.[6]

België is overigens niet de enige lidstaat die de deadline gemist heeft. Zo’n 20 lidstaten dienden geen natuurherstelplan in, de meerderheid dus.[7] De vraag rijst echter of het één jaar na de deadline indienen van een plan, zoals het er nu uitziet voor België, nog goed te praten is. Zeker gelet op het feit dat de eerste bindende doelstelling tegen 2030 gehaald moet worden. 

Meer dan een eenmalig gemiste deadline

Dat België deze deadline mist, verbaast overigens niet. Het past in een breder patroon waarbij de voorbije jaren meermaals Europese deadlines inzake klimaat en milieu niet tijdig gehaald werden. Denk bijvoorbeeld aan de deadline voor het geactualiseerde klimaat- en energieplan (NEKP) op 30 juni 2024. Toen in oktober 2024 nog geen plan voorlag, startte de Commissie een inbreukprocedure op. Uiteindelijk bezorgde België het finale geactualiseerde NEKP in oktober 2025.

De complexe bevoegdheidsverdeling wordt daarbij vaak als verantwoording ingeroepen, ook nu. Dat is tot op zekere hoogte te volgen, maar mag geen passe-partout worden. Zeker na afgelopen zomer, die getekend werd door opeenvolgende hittegolven en het afbranden van een groot deel van het waardevol natuurgebied de Hoge Venen. 

Bovendien is de verplichting om een natuurherstelplan op te stellen al geruime tijd bekend. Dat een Europese verplichting van deze omvang niet gehaald wordt, wijst eerder op een gebrek aan bestuurlijke prioriteit. Als België haar klimaatbeleid niet tijdig aanscherpt, lijkt een inbreukprocedure geen onwaarschijnlijk gegeven meer. 

Vooral voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG) is de gemiste deadline een pijnlijke vaststelling. Het BHG werd in oktober 2025 immers nog veroordeeld door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel omwille van gebrekkig klimaatbeleid.[8] De Natuurherstelverordening bevat bovendien specifieke verplichtingen voor stedelijke ecosystemen. Tegen eind 2030 mogen lidstaten geen nettoverlies aan stedelijke groene ruimte en boomkroonbedekking laten optreden ten opzichte van 2024. Vanaf 2031 moet die oppervlakte zelfs verder toenemen.[9]

Het komt er nu op aan dat de deelstaten zo snel mogelijk hun bijdrage aan het natuurherstelplan afronden en goedkeuren, zodat het plan vervolgens op federaal niveau kan worden gefinaliseerd en bekrachtigd. Vervolgens moet zonder verder uitstel werk worden gemaakt van de natuurhersteldoelstellingen voor 2030, willen we die nog tijdig realiseren.  


[1] Verordening (EU) 2024/1991 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2024 inzake natuurherstel en tot wijziging van Verordening (EU) 2022/869, Pb.L. 29 juli 2024, http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1991/oj.

[2] Artikelen 4 en 5 Natuurherstelverordening.

[3] Artikelen 14 en 15 Natuurherstelverordening. 

[4] Artikel 16 Natuurherstelverordening. 

[5] Merckx V., ‘Europa wil vandaag van lidstaten horen hoe ze hun natuur zullen herstellen, maar België heeft werk niet af’, VRT NWS, 1 september 2026, https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2026/08/28/belgie-heeft-geen-natuurherstelplan/.

[6] Belga, ‘Europese Commissie heeft begrip voor lidstaten die, zoals België, deadline natuurherstelwet misten’, VRT NWS, 2 september 2026, https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2026/09/02/europese-commissie-heeft-begrip-voor-lidstaten-die-deadline-natu/.

[7] Ibid. 

[8] Rb. Brussel (Fr.) (4e k.) 29 oktober 2025, nr. 24/885/A, ‘We Are Nature.Brussels e.a./BHG’, https://wearenature.brussels/wp-content/uploads/2025/11/20251029-jugement-WAN-RBC-sans-annexes.pdf

[9] Artikel 8 Natuurherstelverordening. 

Wind mee voor windturbines? De Raad van State versoepelt de esthetische toets voor windturbines

Het Vlaamse vergunningenrecht gunt windturbines (en andere projecten van hernieuwbare energie) al geruime tijd een juridisch duwtje in de rug. Via de zogenaamde clicheringsregel van artikel 4.4.9 VCRO kunnen windturbines onder bepaalde voorwaarden worden vergund, ook in gebieden waar de gewestplanvoorschriften dit op het eerste gezicht niet toelieten. 

Dat gold ook voor landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Toch bleek de weg naar een vergunning daar allesbehalve vanzelfsprekend. Een bijkomende esthetische toets maakte het immers bijzonder moeilijk om dergelijke projecten vergund te krijgen. Precies daar brengt de Raad van State nu verandering in.

Een bijkomende esthetische toets 

Volgens de gevestigde rechtspraak gold in landschappelijk waardevol agrarisch gebied immers niet alleen een planologische toets, maar ook een afzonderlijke esthetische toets.[1] Artikel 15.4.6.1 van het Inrichtingsbesluit bepaalt immers dat handelingen en werken in landschappelijk waardevolle gebieden slechts kunnen worden toegelaten voor zover zij “de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”.[2] Deze zinsleden zag de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet als een louter bestemmingsvoorschrift waardoor zij oordeelde dat dit niet viel onder het toepassingsgebied van artkel  4.4.9 VCRO. Er kon van dit voorschrift met andere worden niet worden afgeweken op basis van de clicheringsregel. Daardoor ontstond een tweevoudige beoordeling. Zelfs wanneer een project de toets van artikel 4.4.9 VCRO doorstond (planologische toets), moest de vergunningverlenende overheid nog steeds aantonen dat de schoonheidswaarde van het landschap niet werd aangetast (esthetische toets). 

Die esthetische toets, of meer in het bijzonder de rechtspraak rond deze esthetische toets, bleek in de praktijk echter vaak bijzonder streng. 

Alzo mocht de overheid zich enkel baseren op landschappelijke elementen binnen het betrokken landschappelijk waardevol agrarisch gebied.[3] Landschapselementen buiten de contouren van het gebied mochten in beginsel niet als referentie worden gebruikt om de impact van een project te relativeren. Daarnaast werd consequent geoordeeld dat een reeds bestaande aantasting van het landschap niet kon worden aangegrepen om een bijkomende aantasting te verantwoorden.[4] Dat er reeds windturbines, infrastructuur of andere verstorende elementen aanwezig waren, betekende dus niet dat nog meer verstoring kon worden toegestaan. 

Voor projectontwikkelaars vormde deze esthetische toets daardoor vaak een aanzienlijke juridische hinderpaal. 

Een nieuwe wind vanuit de Raad van State – maar de waarde van het landschap blijft relevant 

Met haar arrest van 2 juli 2026 lijkt de Raad van State deze rechtspraak grondig bij te sturen.[5] De Raad oordeelt immers dat – in afwijking van de voorgaande vaste rechtspraak – de zinsnede “voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen” wel moet worden beschouwd als een bestemmingsvoorschrift. En precies van dergelijke bestemmingsvoorschriften kan op grond van artikel 4.4.9 VCRO – i.e. de clicheringsregel – worden afgeweken. 

“Op grond van artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit mogen in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de agrarische bestemming, “voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. 

De zinsnede “voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”, is een stedenbouwkundig voorschrift dat betrekking heeft op de omschrijving van het bestemmingsgebied, en maakt aldus een bestemmingsvoorschrift uit in de zin van het eerste lid van artikel 4.4.9, § 1, VCRO, ook al wordt hierin niets gezegd over de functies en activiteiten die er worden toegelaten, en gaat het veeleer om een voorschrift dat gericht is op het behoud van de ruimtelijke voorwaarden waarin de principieel toegelaten functies en activiteiten moeten passen.”

Dat betekent dat de klassieke esthetische toets – de daarbij horende strenge rechtspraak – niet langer als een afzonderlijke, bijkomende drempel bovenop de planologische dient te worden toegepast. Er kan immers van dit bestemmingsvoorschrift worden afgeweken op basis van artikel 4.4.9 VCRO. Op het eerste gezicht lijkt daarmee een belangrijk obstakel voor windturbines in landschappelijk waardevol agrarisch gebied te verdwijnen. 

De Raad van State voegt echter meteen een belangrijke nuance toe. Hoewel van het esthetische bestemmingsvoorschrift kan worden afgeweken met de clicheringsregel, ontslaat dat de vergunningverlenende overheid niet van de verplichting om de impact van een project op de landschappelijke kwaliteiten van het gebied te beoordelen. Volgens de Raad maakt de schoonheidswaarde immers deel uit van die landschappelijke kwaliteiten. Bij de beoordeling van de aanvraag zal de vergunningverlenende overheid nog steeds moeten onderzoeken in welke mate het project de schoonheid van het landschap aantast. Zij zal daarbij echter het belang van het behoud van het landschap moeten afwegen tegen de ernst van de verstoring: 

“Dit voorschrift houdt aldus in dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de oprichting van windturbines in (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied een lokalisatienota dient op te maken waarin onder meer de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van de eventuele verstoring van de landschappelijke kwaliteiten dienen te worden beschreven en geëvalueerd. Het behoort vervolgens de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid, te beoordelen of de effecten van de inplanting ten aanzien van de eventuele verstoring van de landschappelijke kwaliteiten, behoorlijk werden beschreven en geëvalueerd, en of die effecten in voorkomend geval in de weg staan van de aangevraagde oprichting van de windturbines.”  

De esthetische toets verdwijnt dus niet volledig.

Meer beoordelingsvrijheid?

De hamvraag is uiteraard welke concrete gevolgen deze nieuwe rechtspraak zal hebben. 

Hoewel er nog steeds een verplichting zal gelden om een esthetische toets uit te voeren, heeft het wijzigen van de wettelijke grondslag van deze verplichting weldegelijk gevolgen voor de praktijk. Zoals hierboven reeds vermeld, zal de strenge rechtspraak gecreëerd rond de toets aan de schoonheidswaarde van het landschap op grond van het Inrichtingsbesluit immers niet meer van toepassing zijn.

Alzo zal er nu wél rekening gehouden mogen worden met landschapselementen of constructies die buiten het landschappelijk waardevol agrarisch gebied liggen. De vergunningverlenende overheid lijkt hierdoor een ruimere discretionaire bevoegdheid ter zake te krijgen. Anderzijds valt op dat de Raad van State tegelijk benadrukt dat de schoonheid van het landschap een relevante landschappelijke kwaliteit blijft en dus uitdrukkelijk moet worden meegewogen. 

De vraag is dan ook of de praktische impact uiteindelijk even groot zal blijken als op het eerste gezicht wordt aangenomen. 

To be continued…

Hoe groot de beoordelingsvrijheid van vergunningverlenende overheden in de praktijk werkelijk zal zijn, zal pas blijken uit de rechtspraak die de komende jaren zal volgen.

In ieder geval blijft het niet bij dit ene arrest: Ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen lijkt de door de Raad van State uitgezette lijn reeds te volgen.[6]


[1] Zie o.a. RvVb 4 november 2021, nr. RvVb-A-2122-0183, Regionale actiegroep leefmilieu Dender en Schelde vzw.; RvVb, 25 maart 2021, A-2021-0782, Vercaemst. ; RvS 2 maart 2017, nr. 237.530., Stad Aarschot. 

[2] O. COOPMAN, “De gewestplannen Inhoudelijke regeling: de bestemmingsvoorschriften” in boek – In: X., Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2018, Mechelen, Kluwer, 2017, 157.

[3] RvVb 21 november 2024, nr. RvVb-A-2425-0219, gemeente Asse . RvVb 16 januari 2025, nr. RvVb-A-2425-0397, Vervoort e.a. 

[4] RvVb 21 november 2024, nr. RvVb-A-2425-0219, gemeente Asse ; RvVb 16 januari 2025, nr. RvVb-A-2425-0397, Vervoort e.a. ; RvVb 29 september 2022, nr. RvVb-A-2223-0079, Vervoort e.a; 

[5] RvS 2 juli 2026, nr. 267.315, Nv Aspiravi. 

[6] RvVb 13 augustus 2026, nr. RvVb-2526-1052, Luminus nv. 

Verzameldecreet Omgeving 2026: de belangrijkste wijzigingen op een rij

Op 26 juni 2026 bekrachtigde de Vlaamse Regering het Verzameldecreet Omgeving-Landbouw 2026[1]. Het decreet wijzigt maar liefst 25 wetten en decreten uit het beleidsdomein Omgeving en treedt grotendeels in werking op 20 augustus 2026. Het gaat niet om een fundamentele hervorming, maar om een optimalisering van bestaande regelgeving. Knelpunten worden weggewerkt, procedures vereenvoudigd en bestaande regelingen afgestemd op recente decreetswijzigingen, waaronder het Instrumentendecreet van 26 mei 2023[2]. In deze blogpost bespreken we de voornaamste wijzigingen. 

Planbaten en planschade

De meest uitgebreide wijzingen werden aangebracht aan de regeling met betrekking tot planbaten en planschade. 

Een eerste wijziging betreft de afschaffing van het meerwaarderamingsrapport. Dat instrument werd ingevoerd door het Instrumentendecreet van 26 mei 2023 en moest initiatiefnemers van een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) toelaten vooraf een inschatting te maken van de planbaten. Omdat het rapport zich beperkte tot de meerwaarde op niveau van het plan en dus geen uitspraken deed op perceelsniveau, waardoor het weinig rechtszekerheid of duidelijkheid bood aan zowel de initiatiefnemer als betrokken eigenaars, wordt het nu terug geschrapt. 

Verder wordt het toepassingsgebied van het zogenaamde ‘recht op inkeer’ uit artikel 2.6.5, 3° VCRO beperkt. Het recht op inkeer geldt als uitzondering op de planbatenheffing voortaan enkel nog wanneer een RUP of BPA wordt vastgesteld ter uitvoering van een rechterlijke beslissing die een planschadevergoeding oplegt. Daarmee sluit de decreetgever aan bij de regeling in het Instrumentendecreet omtrent planbaten. De planschadeprocedure werd daarin grotendeels omgevormd van een gerechtelijke naar een administratieve procedure.

Daarnaast worden de begunstigden of vergoedingsgerechtigden bij aanduiding van een watergevoelig openruimtegebied (WORG) uitgebreid. Waar vandaag volgens de regeling in artikel 5.6.8, §6 VCRO enkel de volle eigenaar of naakte eigenaar aanspraak kan maken op een vergoeding, wordt voortaan aangesloten bij de systematiek van het Instrumentendecreet. Onder dat decreet hebben alle zakelijk gerechtigden recht op een vergoeding volgens hun respectievelijk aandeel in de eigendom, bijvoorbeeld bij planschade. 

Tot slot wordt de salderingsregel opnieuw ingevoerd voor gebiedsgerichte RUP’s. Meerwaarden en minwaarden binnen eenzelfde project kunnen daarbij tegen elkaar worden afgewogen. Er wordt voorzien in een uitzondering op planschade in het geval dergelijk RUP globaal een meerwaarde creëert. De planbatenheffing zal afhankelijk zijn van de netto meerwaarde.

Lasten bij vergunningen

Wat de regeling inzake lasten betreft, wordt een overgangsregeling ingevoerd voor het verval van vergunningen wegens niet-uitvoering van lasten (artikelen 99, §1, eerste lid, 6° en 102, §1, eerste lid, 3° Omgevingsvergunningsdecreet). De vervalregeling geldt alleen voor vergunningsaanvragen die vanaf 1 januari 2024 ingediend zijn. 

Daarnaast wordt bestuursdwang opnieuw mogelijk wanneer lasten in natura bij een verkavelingsvergunning niet worden uitgevoerd. Het opleggen van een financiële waarborg wordt optioneel waar die voorheen verplicht was. 

Vermoeden van vergunning

Een andere wijziging betreft het vermoeden van vergunning. Naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof (GwH) van 19 oktober 2023 ontstond rechtsonzekerheid over het aanvangspunt voor de beroepstermijn voor derden tegen registratiebeslissingen. Die termijn liep oorspronkelijk vanaf de registratie van de constructie in kwestie in het vergunningenregister (artikel 4.8.11, §2, 2°, b) VCRO). Omdat het GwH oordeelde dat burgers niet geacht kunnen worden dat register voortdurend te raadplegen, krijgt de Vlaamse Regering nu de mogelijkheid om een systeem van actieve bekendmaking uit te werken, alsook de termijn van inwerkingtreding. 

Vergunningen van bepaalde duur 

Daarnaast wordt de mogelijkheid om vergunningen van bepaalde duur bij te stellen qua duur, voorwerp, en milieuvoorwaarden vergemakkelijkt. De regeling heeft voornamelijk betrekking op indirecte lozingen in grondwater, zoals huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater. De leidend ambtenaar van de VMM zal voortaan sneller een bijstellingsprocedure kunnen initiëren wanneer Europese verplichtingen, onder meer voortvloeiend uit de Kaderrichtlijn Water, dat vereisen. 

Beperkte planaanpassingen mogelijk door vergunningverlenende overheid

Verder wordt een discussiepunt uit de rechtspraak opgelost. Artikel 4.3.1 VCRO laat toe om bij een vergunning voorwaarden op te leggen, waaronder beperkte aanpassingen aan de voorgelegde plannen. Omdat dat artikel verwees naar artikel 30 Omgevingsvergunningsdecreet stelde de rechtspraak dat dergelijke wijziging slechts mogelijk zou zijn op verzoek van de aanvrager. Dat was echter niet de bedoeling van de decreetgever. Nu wordt verduidelijkt dat dergelijke beperkte planaanpassingen ook door de vergunningsverlenende overheid kunnen worden opgelegd.

Woonreservegebieden

De decreetgever voorziet voortaan in de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de bestaande vrijgavevoorwaarden voor kleinere woonreservegebieden en restpercelen. Daarnaast zal een vrijgavebesluit niet langer vereist zijn voor vergunningsaanvragen in woonreservegebied die geen bebouwing of verharding met zich meebrengen, zoals de sloop van constructies of het vellen van bomen. 

Verdere digitalisering

De digitalisering van omgevingsvergunningsprocedures wordt verder doorgetrokken. De meest opvallende wijziging betreft de stedenbouwkundige verordeningen. De procedure zal in de toekomst verplicht via het DSI-platform verlopen. De concrete modaliteiten moeten wel nog worden uitgewerkt door de Vlaamse Regering, alsook de datum van inwerkingtreding.

Overige

Naast voormelde wijzigingen bevat het verzameldecreet nog tal van andere (kleine) wijzigingen, onder meer met betrekking tot:

Voormelde wijzigingen treden in werking op 20 augustus 2026, tenzij anders vermeld. 

Heeft u vragen over deze wijzigingen? Aarzel dan zeker niet om onze experten ter zake te contacteren. Zij helpen u met plezier verder. 


[1] Decr.Vl. 26 juni 2026 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw, BS 10 augustus 2026. Voor de parlementaire voorbereiding zie: Ontwerp van decreet houdende diverse bepalingen inzake omgeving, leefmilieu en natuur, ruimtelijke ordening en landbouw, VLAAMS PARLEMENT, 2025-2026, 31 maart 2026, nr. 780/1, https://www.vlaamsparlement.be/nl/parlementaire-documenten/parlementaire-initiatieven/2016884.

[2] Decr.Vl. 26 mei 2023 betreffende het realisatiegerichte instrumentarium, BS 3 juli 2023.

[3] Voor een uitgebreidere bespreking van enkele wijzigingen en overgangsregelingen zie: https://omgeving.vlaanderen.be/nl/decreten-en-uitvoeringsbesluiten/verzameldecreet-omgeving-2026 en https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/2026-06/Verzameldecreet-2026_Varia.pdf.

De invloed van de geopolitieke context op het omgevingsrecht: het nieuw Defensiedecreet. 

Ongeveer anderhalf jaar geleden, op 4 april 2025, keurde de Vlaamse regering het Vlaams Defensieplangoed. Dit plan kwam er naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne en het daaropvolgende “Rearm Europe”-plan en bundelt verschillende acties en beleidsinitiatieven die de defensiesector in Vlaanderen moeten stimuleren. 

Onder het motto “si vis pacem, para bellum” (als je vrede wil, bereid je dan voor op oorlog), omvat het plan 10 kernpijlers, die onder meer betrekking hebben op actiedomeinen zoals investeringen in de defensie-industrie, het stimuleren van onderzoek, ontwikkeling en innovatie, crisisparaatheid en cyberveiligheid. Onze aandacht gaat daarbij voornamelijk uit naar het actiedomein “omgevingsvergunningen”, waarmee een snellere en soepelere omgevingsvergunningsprocedure wordt gecreëerd. 

Ter uitvoering van het Defensieplan heeft de Vlaamse regering daarom op 3 juli 2026 het Defensiedecreet (decreet over afwijkingen op de omgevingsvergunningsplicht, omgevingsmelding en andere toelatingen in geval van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie) bekrachtigd. Dit decreet treedt in werking op 14 augustus 2026 en is van toepassing op zogenaamde “defensiegerelateerde uitzonderingssituaties”. In deze blogpost nemen we deze afwijkingen op de omgevingsvergunningsplicht, -meldingsplicht en andere toelatingen onder de loep.

Op heden bevat het omgevingsrecht hier en daar al aanknopingspunten met defensie.  Zo bevat het Vrijstellingsbesluit[1] in artikel 8.3 de mogelijkheid om op een militair domein installaties en gebouwen van militair strategisch belang op te trekken zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Ook voor onder meer de aanleg van leidingen van militair strategisch belang en het plaatsen van afsluitingen is dit het geval. Het besluit vergunningsplichtige functiewijzigingen[2] voorziet in artikel 2, lid 2 dan weer in een vrijstelling voor een functiewijziging van hoofdfuncties naar militaire functie, voor zover het gaat om installaties of gebouwen van militair strategisch belang. Met het Defensiedecreet wordt aldus een breder uitzonderingsregime gecreëerd. 

Zoals hierboven reeds vermeld, is deze sui generis omgevingsvergunningsprocedure algemeen genomen in het leven geroepen om sneller te kunnen schakelen in een crisissituatie, oftewel een “defensiegerelateerde uitzonderingssituatie”. Deze situatie wordt in het decreet als volgt gedefinieerd: elke gebeurtenis of ernstige bedreiging die de fundamentele constitutionele, politieke, economische of sociale structuren van België of de Europese Unie ernstig kan destabiliseren en, met name, een rechtstreekse bedreiging kan vormen voor de samenleving, de bevolking of België of de Europese Unie als zodanig, met inbegrip van terroristische activiteiten, die een snelle opschaling van de productie of opslag van wapens, munitie of oorlogsmateriaal noodzake­lijk maakt of het versneld klaarmaken van de wegeninfrastructuur, opdat deze voldoende inzetbaar is voor strategische militaire mobiliteit;.[3]

De vraag stelt zich in de eerste plaats naar wie wanneer kan bepalen dat er zich een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie voordoet en hoe deze afgekondigd wordt. Het Defensiedecreet verduidelijkt dat de Vlaamse regering deze uitzonderingssituatie afkondigt voor een bepaalde duur, die maximaal twee jaar bedraagt en telkens verlengd kan worden voor een periode van maximaal één jaar.[4]

Hoewel defensie een uitsluitend federale bevoegdheid betreft, toont ook het Defensiedecreet opnieuw de complexiteit van het federale België aan. De afkondiging en de verlenging kan pas gebeuren op eensluidend advies van de federale regering. De Raad van State benadrukte in haar advies immers dat gewaakt moet worden over de bevoegdheidsverdeling en dat er geen discrepantie kan bestaan tussen de verschillende overheden over wanneer er al dan niet sprake zou zijn van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie. De vereiste van “eensluidend advies” geeft kent zodoende een vetorecht toe aan de federale regering en verzekert eenheid en coherentie.

In het decreet is tevens een democratische controle opgenomen; het besluit moet bekrachtigd worden bij decreet door het Vlaams Parlement.[5] Er zijn zodoende 3 checks and balances geïnstalleerd in het decreet: afgelijnde toepassingsgevallen; beperking in de tijd en toezicht door het parlement. 

Eenmaal er sprake is van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie, heeft dit een impact op de vergunningsplicht zoals omschreven in artikel 4.2.1 (vergunningsplichtige handelingen) en artikel 4.2.2 (afwijkingen van de vergunningsplicht) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening[6], alsook op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit (klasse 1, 2 en 3) zoals vermeld in artikel 5.2.1. (vergunnings- en meldingsplicht) van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid[7]. Ook heeft het Defensiedecreet een impact op alle handelingen waarvoor een omgevingsvergunning, meldingsakte, vergunning, toestemming, ontheffing, machtiging of toelating vereist is overeenkomstig het Natuurdecreet[8], het Bosdecreet[9] en het Onroerenderfgoeddecreet[10] en hun uitvoeringsbesluiten. Voor al deze handelingen is geen omgevingsvergunning, meldingsakte, vergunning, toestemming, ontheffing, machtiging of toelating vereist op voorwaarde dat voldaan is aan 8 voorwaarden. 

Zo moeten de handelingen (of de exploitatie) uitsluitend bestemd zijn voor de productie of opslag van wapens, munitie of oorlogsmateriaal, dan wel voor het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van wegen en hun aanhorigheden.[11] Dit moet noodzakelijk zijn om tot een snelle opschaling van de productie of opslag van wapens, munitie of oorlogsmateriaal over te gaan, hetzij om de wegeninfrastructuur versneld klaar te maken.

Belangrijk in dergelijke situatie is dat de handelingen (of exploitatie) niet mogen plaatsvinden in ruimtelijk kwetsbaar gebied, zoals bosgebieden, natuurreservaten, parkgebieden enz., noch in een speciale beschermingszone. Eveneens mogen de handelingen niet uitgevoerd worden aan of in goederen die erkend zijn als werelderfgoed. 

Op dit moment is er in het Waalse, noch in het Brusselse Gewest een gelijkaardig wetgevingsinstrument bekend. 

Op 18 juni 2025 werd door De Europese Commissie een voorstel voor een verordening betreffende versnelde vergunningverlening voor defensiegereedheidsprojecten aangenomen.[12] Daarin worden versnelde vergunningsprocedures vooropgesteld. Ondanks het wetgevingsproces hiervoor nog niet afgerond is, wenste Vlaanderen de uitkomst ervan niet af te wachten. Waarschijnlijk zal de Vlaamse decreetgever naar aanleiding van deze verordening het Defensiedecreet evenwel moeten aanvullen, dan wel aanpassen. Uiteraard volgen wij dit verder op.


[1] Besl. Vl. Reg. 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, BS10 september 2010. 

[2] Besl. Vl. Reg. 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, BS 18 mei 2000.

[3] Artikel 3, 3°. 

[4] Artikel 5, § 1.

[5] Artikel 5, § 2.

[6] Besl. Vl. Reg. 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening – Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, BS 20 augustus 2009, err. BS 27 juni 2012.

[7] Decr. Vl. 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, BS 3 juni 1996.

[8] Decr. Vl. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, BS 10 januari 1998. 

[9] Bosdecreet 13 juni 1990, BS 28 september 1990. 

[10] Decr. Vl. 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed, BS 17 oktober 2013.

[11] Artikel 6, §1, 1°. 

[12] Voorstel voor een verordening 17 juni 2025 van het Europees Parlement en de Raad betreffende versnelde vergunningverlening voor defensiegereedheidsprojecten, COM(2025) 821.  

Nieuw ontwerpdecreet hervormt de omgevingsvergunning: wat verandert er voor de vergunningenpraktijk? 

Op de laatste dag voor het zomerreces nam de Ministerraad maar liefst 126 verschillende beslissingen. Een ontwerp van decreet dat die dag goedgekeurd werd en onze bijzondere aandacht trok is de invoering van de zogenaamde modulaire omgevingsprocedure, waarvoor verschillende decreten gewijzigd worden.

De doelstelling van de Vlaamse Regering bestaat enerzijds uit het inhoudelijk versterken van vergunningsaanvragen met het oog op kwalitatievere vergunningen als eindresultaat. Anderzijds wordt ook een resem procedurele aanpassingen goedgekeurd. Zo hoopt de Ministerraad tot rechtszekere en robuustere vergunningen te komen. 

Hoewel er na deze tweede principiële goedkeuring van de modulaire omgevingsprocedure nog een advies van de Raad van State gevraagd zal worden en een parlementaire behandeling daarop zal volgen, lichten wij in onderstaande blogpost alvast de belangrijkste voorstellen voor de dagdagelijkse vergunningenpraktijk toe.

Inhoudelijke versterking van de vergunningsaanvragen

Een eerste interessante ontwikkeling is de invoering van “maatschappelijke meerwaarde” als beoordelingscriterium.[1] Hiermee wenst de Vlaamse regering vergunningen na te streven die niet alleen in de theorie en dus juridisch correct zijn maar ook vergunningen die in de specifieke context kloppen. Zo zal een vergunningverlenende overheid in de toekomst ook kijken of de projecten maatschappelijke, ecologische en economische belangen op een transparante manier afwegen. Hierbij merkt de regering zelf op dat deze toets uiteraard nog steeds te onderscheiden is van de legaliteit van de aanvraag. 

Verder worden het vooroverleg en de adviesverlening verder uitgewerkt. Zo zal elke vergunningsaanvrager het recht hebben om op eenvoudig verzoek en binnen een redelijke termijn een overleg aan te vragen.[2] Ook kan er op basis van preadviezen oplossingsgerichter gewerkt worden in dialoog met de aanvrager om zo op vlottere wijze tot een geïntegreerd advies van de omgevingsvergunningscommissie te komen. Zo zal een vergunningsaanvrager na het ontvangen van een preadvies een zogenaamde pauzeknop kunnen indrukken voor eventueel verder studiewerk of het voorbereiden van een wijzigingslus.[3] Deze pauzeknop houdt in dat een aanvrager maximaal drie keer een termijnverlening van 60 dagen kan aanvragen, in de vorm van een vaste termijnverlening.[4]

Ook hoopt de regering aanvragers te engageren om een volledige aanvraag in te dienen door de vergunningverlenende overheid niet langer een beslissing te laten nemen over de ontvankelijkheid en volledigheid.[5] De overheid kan wel nog steeds verzoeken de aanvraag te vervolledigen met ontbrekende stukken, zonder dat dit een opschorting van de behandelingstermijn met zich meebrengt. Zodra de vergunningverlenende overheid merkt dat er elementen in de aanvraag ontbreken, kan deze vragen om de aanvraag in te trekken of te vervolledigen. De aanvrager kan vervolgens hiertoe overgaan, dan wel meedelen dat hij een intrekking of vervollediging niet noodzakelijk acht. Zo wordt een aanvrager verantwoordelijk voor de (on)volledige versie van zijn aanvraag die in behandeling genomen wordt.[6] Aanvragers hebben er dus alle belang bij om van meet af aan een zorgvuldig uitgewerkte en volledige aanvraag in te dienen.[7]

Ten slotte zal er op alle vergunningsaanvragen één basisprocedure van toepassing zijn, de zogenaamde modulaire vergunningsprocedure.[8] Deze basis omvat een ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek, advisering en een beslissing. Het is op basis van het voorwerp van de aanvraag dat een openbaar onderzoek aan de procedure toegevoegd wordt. 

Procedurele vernieuwingen

Verder is het duidelijk dat de Vlaamse Regering met de aanpassingen niet alleen hoopt om sterkere vergunningen te bekomen die minder zullen worden aangevochten, maar eveneens hoopt om het gehele vergunningenproces te stroomlijnen.

Zo zal het aantal openbare onderzoeken beperkt worden tot maximaal één openbaar onderzoek in eerste aanleg, bij aanvang van de vergunningsprocedure. In beroep zal er slechts een openbaar onderzoek georganiseerd worden wanneer daar gegronde redenen toe bestaan.[9] De bepalingen over de wijzigingslus geven aan wanneer er een (nieuw) openbaar onderzoek georganiseerd moet worden bij een gewijzigde aanvraag.[10]

Wanneer er een openbaar onderzoek georganiseerd wordt, zal het niet langer mogelijk zijn een “bezwaarschrift” in te dienen. Een van de procedurele, doch slechts vormelijke, wijzigingen is de aanpassing van de term naar “inspraakreactie”. Hiermee wenst de Vlaamse Regering te verduidelijken dat ook positieve reacties op een aanvraag nuttig kunnen zijn.[11]

De grootste procedurele wijziging schuilt evenwel in de invoering van een zogenaamde stel- en attentieplicht voor de responsabilisering van alle partijen.[12]  De attentieplicht houdt in dat alle inspraakreacties in de loop van de vergunningsprocedure aan de vergunningverlenende overheid moeten worden meegedeeld. De Regering hoopt zo dat de bevoegde overheden tijdig en op basis van alle inspraakreacties een volwaardige beoordeling kunnen maken. 

Verder gaat dit gepaard met de verplichte georganiseerde herzieningsprocedure, om zo eventuele onwettigheden al op administratief niveau op te sporen. Deze georganiseerde bestuurlijke herzieningsprocedure moet verplicht worden uitgeput vooraleer er een procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan worden opgestart. Dit heeft tot gevolg dat er alleen zij die ook een verzoek tot herziening ingediend hebben zich tot de RvVb kunnen wenden. Bovendien zijn de argumenten voor de RvVb beperkt tot grieven die in het verzoek tot herziening werden geformuleerd. 

In maart 2019 vernietigde het Grondwettelijk Hof een gelijkaardige regel aangezien er onvoldoende waarborg geboden werd dat het betrokken publiek de elementen van de aanvraag kan kennen. De Vlaamse Regering is van mening dat er met de nieuwe regeling voldoende waarborgen geboden worden aangezien de herzieningsprocedure plaatsvindt op het moment dat de initiële vergunningsbeslissing reeds genomen is. 

Met de stel- en attentieplicht lijkt de regering een trechter te creëren waardoor de stroom beroepen bij de RvVb een halt toegeroepen wordt. 

Bovendien is er ook sprake van een vereenvoudiging van de geïntegreerde procedure en de beslissingen over de zaak der wegen. Momenteel moet de gemeenteraad zich uitspreken over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg. Tegen de beslissing van de gemeenteraad kan er beroep ingediend worden bij de Vlaamse Regering, die de beslissing enkel kan vernietigen of het beroep kan afwijzen. Aangezien dit een blokkerend en vertragend effect kan hebben op de vergunningsprocedures, voorziet men nu in een verplichte heroverweging van de beslissing. Dit wordt uitgewerkt als module binnen het OVD.[13]

Een andere procedurele nieuwigheid is de mogelijkheid om een vergunning in te trekken tijdens de jurisdictionele procedure. Momenteel kan een omgevingsvergunning enkel worden ingetrokken voor zover zij onwettig is en de intrekking plaatsvindt binnen de beroepstermijn of voor de sluiting van de debatten van het vernietigingsberoep. Nu wordt er voorzien in de mogelijkheid om een vergunning in te trekken en te vervangen door een verbeterde vergunning, zonder dat de onwettigheid van de ingetrokken beslissing zo erkend wordt.[14]

Besluit

De Vlaamse Regering maakt van rechtszekere vergunningen een prioriteit. De recente wijzigingen aan diverse decreten, die zowel de inhoudelijke versterking van vergunningen als procedurele aanpassingen omvatten, illustreren die ambitie. Het is nu afwachten hoe de Raad van State deze wijzigingen zal beoordelen.


[1] Art. 3. 

[2] Art. 18.

[3] Art. 33.

[4] Art. 43 §3, derde en vierde lid. 

[5] Art. 29.

[6] Art. 30.

[7] Art. 29.

[8] Art. 24. 

[9] Art. 36.

[10] Art. 39.

[11] Art. 36 §2. 

[12] Art. 56.

[13] Art. 79 §2. 

[14] Art. 87.

Arrêt de la Cour constitutionnelle du 23 avril 2026 (n° 53/2026) – Des enseignements également pour le permis unique éolien en région wallonne

Par son arrêt n°53/2026 du 23 avril 2026[1], la Cour constitutionnelle a validé l’essentiel de la réforme du permis d’environnement induite par le décret du 25 avril 2024 « modifiant divers décrets relatifs à l’environnement »[2], dont elle n’a annulé que deux dispositions au regard de leurs implications en termes de recours administratifs[3].

Pour rappel, ce décret n’est pas encore entré en vigueur, sa date de prise d’effet devant encore être fixée par le gouvernement wallon[4].

Il n’aura pas échappé aux acteurs du secteur éolien qu’une des critiques du recours avait trait au régime d’autorisation des parcs éoliens.

En application de l’article 50 du décret relatif au permis d’environnement actuellement en vigueur, le permis unique peut être délivré pour une durée maximum 30 ans en ce qu’il porte sur un parc éolien[5].

Le volet urbanisme du permis unique est quant à lui en principe délivré pour une durée indéterminée. Cette durée peut toutefois être limitée en application de l’article D.IV.80, §1er/1, 1° du CoDT[6] si le parc éolien est implanté dans une zone non destinée à l’urbanisation, donc notamment en zones agricole ou forestière au plan de secteur[7], ce même si le CoDT y permet expressément l’implantation d’éoliennes[8].

L’article 50 du décret relatif au permis d’environnement tel que modifié par le décret du 25 avril 2024 ne prévoit plus que le permis accordé pour un parc éolien doive être limité à 30 ans[9]. Une fois le décret du 25 avril 2024 entré en vigueur, les permis uniques éoliens seront donc octroyés pour la durée de l’exploitation de l’établissement et soumis au régime d’actualisation de leurs conditions particulières, sauf dans l’hypothèse où l’autorité aura limité la durée du volet urbanistique en vertu de l’article D.IV.80 du CoDT. L’article 50, §1er, al.4 tel que modifié par le décret du 25 avril 2024 prévoit en effet que « le permis unique en tant qu’il vaut permis d’environnement est accordé pour une durée identique à celle prévue pour le volet urbanistique dudit permis unique lorsque sa durée de validité est limitée dans le temps ».

Comme dans toute réforme, la question de la transition entre les régimes se pose.

Le décret du 25 avril 2024 a réglé cette question par le biais de son article 58 qui détermine les règles applicables à la durée des permis existants ainsi qu’à la demande d’actualisation de leurs conditions particulières. Le paragraphe 2, al.5, prévoit que « les permis portant sur une ou plusieurs éoliennes sont accordés pour la durée d’exploitation de l’établissement en ce qui concerne la partie environnementale et pour une durée illimitée en ce qui concerne la partie urbanistique ».

Cette disposition transitoire confère au volet urbanistique des permis uniques éoliens existants une durée illimitée et neutralise, en conséquence, les décisions par lesquelles l’autorité compétente aurait limité dans le temps la durée de ce volet urbanistique sur la base de l’article D.IV.80 du CoDT.

Dans le cadre du recours en annulation soumis à l’appréciation de la Cour constitutionnelle, la requérante critiquait cette disposition transitoire au motif, justement, qu’elle ne prenait pas en compte l’hypothèse dans laquelle le permis unique éolien aurait été accordé pour une durée déterminée en ce qu’il tient lieu de permis d’urbanisme.

La Cour n’a pas fait droit à cette critique. Après avoir rappelé que la limitation de la durée des permis d’urbanisme constitue une exception au principe de leur délivrance pour une durée indéterminée[10], elle a jugé qu’à supposer que la différence de traitement dénoncée existe, elle n’est pas sans justification raisonnable tenant compte :

La validation de cette disposition transitoire permet une application uniforme de la réforme aux permis éoliens existants qui seront considérés, au moment de l’entrée en vigueur du décret, comme ayant été délivrés pour la durée d’exploitation de l’établissement. Cette sécurisation du régime transitoire constitue un élément favorable pour les exploitants éoliens.

Cette validation n’affectera toutefois pas la possibilité pour les autorités, moyennant une motivation adéquate, de limiter la durée des permis uniques éoliens délivrés après l’entrée en vigueur de la réforme dans les zones non destinées à l’urbanisation, à savoir les zones agricole et forestière[11]. Dans ce cas, la limitation du volet urbanistique du permis unique entraînera automatiquement une limitation identique de son volet environnemental, en application de l’article 50, §1er, alinéa 4, du décret relatif au permis d’environnement tel que modifié par le décret du 25 avril 2024.


[1] C.C., 23 avril 2026, n° 53/2026, ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.053, disponible sur https://fr.const-court.be/public/f/2026/2026-053f.pdf

[2] Décret du 25 avril 2024 « modifiant divers décrets relatifs à l’environnement », M.B., 30 septembre 2024, p. 110679 et s., disponible sur : Moniteur belge

[3] Les dispositions annulées par la Cour sont les suivantes :

a) article 40, § 11, alinéa 1er, tel qu’inséré par l’article 13, 2°, du décret de la Région wallonne du 25 avril 2024, en ce qu’il n’ouvre pas un recours administratif contre le rapport de synthèse comprenant une proposition d’actualisation et permettant la poursuite de l’exploitation, en l’absence d’envoi de la décision de l’autorité compétente dans les délais impartis (article 39/1, alinéa 2, 1°, du décret du 11 mars 1999), ni contre le rapport de synthèse concluant à un refus d’actualisation, en l’absence d’envoi de la décision de l’autorité compétente dans les délais impartis (article 39/1, alinéa 2, 2°, du même décret), ni contre le permis d’environnement faisant l’objet de la demande d’actualisation, en l’absence d’envoi de la décision de l’autorité compétente dans les 60 jours de la réception de la lettre de rappel prévue à l’article 39/1, alinéa 2, 3°, du décret du 11 mars 1999;

 b) article 39/1, alinéa 1er, tel qu’inséré par l’article 12 du décret du 25 avril 2024, précité, en ce qu’il ne rend pas applicable aux demandes d’actualisation des conditions particulières d’exploitation des permis uniques la procédure de recours administratif fixée par l’article 95 du décret du 11 mars 1999, précité

[4] Seul l’article 27 du décret du 25 avril 2024 est entré en vigueur au jour de sa publication au Moniteur belge, soit le 30 septembre 2024 ; cf. art. 60 du décret du 25 avril 2024.

[5] Art. 50, §1er, al.2 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement.

[6] Rendu applicable au permis unique par l’article 97 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement.

[7] Voir l’article D.II.23, al.3 du CoDT.

[8] Voir les articles D.II.36 et D.II.37 du CoDT.

[9] L’article 17 du décret du 25 avril 2024 dispose dans les termes suivants :

L’article 50 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 24 mai 2018, est remplacé par ce qui suit :

 ” Art. 50. § 1er. Sans préjudice des alinéas 2 à 4 et des articles 1er, 4° et 5°, et 52, le permis d’environnement est accordé pour la durée de l’exploitation de l’établissement.

 Le permis relatif aux activités et installations afférentes aux permis exclusifs d’exploration et d’exploitation des ressources du sous-sol visés dans le Code de la gestion des ressources du sous-sol est délivré pour une durée allant jusqu’à l’échéance du permis exclusif auquel il se rapporte.

 Les permis d’environnement autorisant des activités et installations nécessaires à la post-gestion prévue par les permis exclusifs d’exploration et d’exploitation des ressources du sous-sol visés dans le Code de la gestion des ressources du sous-sol peuvent être délivrés au-delà de l’échéance du permis exclusif, sans pouvoir excéder vingt ans.

 Le permis unique en tant qu’il vaut permis d’environnement est accordé pour une durée identique à celle prévue pour le volet urbanistique dudit permis unique lorsque sa durée de validité est limitée dans le temps.

 § 2. Le Gouvernement peut fixer une durée de validité maximale du permis pour les installations et activités classées qu’il désigne.

 § 3. Pour les permis qui, par dérogation au paragraphe 1er, sont délivrés pour une durée déterminée, la durée de validité du permis se calcule à partir du jour où la décision octroyant ce permis devient exécutoire, conformément à l’article 46. ».

[10] Point B.8.2. de l’arrêt.

[11] L’article 97 du décret relatif au permis d’environnement n’a pas été modifié et continue de rendre l’article D.IV.80 du CoDT applicable aux permis uniques.

Xirius Public bespreekt het Brussels regeerakkoord voor u: kwaliteit boven kwantiteit? – mobiliteit

Na maanden van onsuccesvolle onderhandelingen, is er finaal dan toch een Brusselse regering gevormd, onder leiding van nieuwe minister-president Boris Dilliès. En bij een nieuwe regering hoort vanzelfsprekend een regeerakkoord. Over dat regeerakkoord – dat pas na 6 dagen een officiële Nederlandstalige versie kende – zijn velen het eens: het is zeer beknopt.

In een reeks blogs gaat Xirius Public dieper in op de inhoud van dit akkoord en worden enkele pertinente zaken uitgelicht. In deze blogpost komt het beleidsdomein Mobiliteit aan de beurt.

Kernpunten van het mobiliteitsbeleid

De nieuwe regering pleit voor een “veiligere, vlottere, properdere, snellere, toegankelijkere en efficiëntere mobiliteit van alle vormen van mobiliteit die mee zorgt voor een harmonieuze leefomgeving en kwaliteitsvolle openbare ruimten en bevorderlijk is voor de aantrekkingskracht en de economische ontwikkeling van het gewest”.

Om dit ideaal te bereiken, zet de regering prioritair in op een nieuw mobiliteitsplan. Dit plan zal worden opgesteld, rekening houdende met de lessen die zullen worden getrokken uit de geplande en door de ordonnantie van 13 oktober 2023 opgelegde evaluatie van het bestaande Good Moveplan.

Het Good Move-plan is sedert de implementering ervan een bron van controverse. De nieuwe regering zegt een nieuwe benadering te willen uitstippelen die erop gericht is de verkeersveiligheid, de modal shift, de levenskwaliteit, de gezondheid en de vlotte verkeersdoorstroming te verbeteren.

Hoe die nieuwe benadering zich zal vertalen naar concrete maatregelen, daarover spreekt het regeerakkoord zich amper of niet uit. Er wordt enerzijds wel gezegd dat nieuwe circulatieplannen kleinere perimeters zullen hanteren dan voordien, die afgestemd zullen zijn op de sociaaleconomische realiteit, en die zullen vertrekken vanuit schoolomgevingen als centraal punt. Ook blijft het standpunt duidelijk dat de persoonlijke wagen een aanvulling dient te vormen op de prioritaire vervoerswijzen (voetgangers, fiets, openbaar vervoer). Anderzijds lijken de intenties van de nieuwe beleidsbepalers op dit ogenblik vooral in weinigzeggende algemeenheden te blijven steken. Een greep uit het aanbod:

Het reeds bestaande gewestelijk verkeersveiligheidsplan zal verder worden uitgevoerd. Het streefdoel van nul doden en zwaargewonden tegen 2030 op de gewestwegen blijft gehandhaafd.

Wat de lage emissiezone (LEZ) betreft, stelt de nieuwe regering meer uitzonderingscategorieën in het vooruitzicht, onder meer voor bepaalde beroepscategorieën en voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. De regering doelt ook op een milder sanctiebeleid, en maakt dit al meteen vrij concreet. Zo zal er een jaarpas van 350 euro (of 200 euro aan het sociaal tarief) worden ingevoerd, waar tot nog toe enkel een dagpas kon worden gekocht. Daarnaast zullen overtreders voortaan een maandelijkse boete van 80 euro riskeren, waar zij tot op heden een driemaandelijkse boete van 350 euro konden verwachten.

Het regeerakkoord predikt voorts een rationeel budgetbeheer wat het openbaar vervoerbeleid betreft. Verschillende technische interventies en infrastructuurwerken worden uitgesteld of op de langere baan geschoven. Een voorbeeld is de opschorting en herevaluatie van de uitbreiding van metrolijn 3 tussen het Noordstation en Bordet. De nieuwe regering bevestigt evenwel de aanleg van een tramlijn aan Thurn & Taxis. Met een voorziene operationalisering rond 2028-2029, zal deze tramlijn er normaliter ook komen tijdens de huidige legislatuur. Tot slot zal ook het globale aanbod van de MIVB worden behouden.

Nog meldenswaardig is ook dat de regering in overleg met de NMBS een minimale dienstverlening beoogt van vier treinen per uur voor elk station van het voorstadsnet, teneinde de complementariteit tussen gewestelijk openbaar vervoer en treinvervoer te versterken.

Waar voor het openbaar vervoer enigszins de tering naar de nering wordt gezet, voorziet de nieuwe bestuursploeg wel een extra jaarlijks budget van 40 miljoen euro voor de herinrichting van de gewestwegen en de openbare ruimte.

Aangaande parkeerbeleid lijkt de nieuwe regering in eerste instantie te willen voortborduren op het beleid dat reeds was ingezet. Zo wil men parkeren buiten de openbare weg blijven stimuleren, het parkeren voor actieve en gedeelde vervoerswijzen (waaronder taxi’s en autocars) blijven vergemakkelijken en blijven inspelen op de specifieke behoeften van personen met een handicap. Daarnaast wordt wel een verruiming van de criteria voor professionele parkeerkaarten aangekondigd.

Afsluiten doet het regeerakkoord op vlak van mobiliteit met een voorgenomen aansluiting bij diverse reeds bestaande initiatieven over de gewestgrenzen heen.

Zo stelt de nieuwe regering te willen deelnemen aan de door de Vlaamse en Waalse regeringen gestarte gesprekken omtrent de invoering van een digitaal wegenvignet dat van toepassing zou zijn op het volledige Belgische grondgebied.

Ook zal worden onderzocht of de periodieke keuring van motorvoertuigen, naar voorbeeld van de andere gewesten, op tweejaarlijkse basis zou kunnen worden ingesteld. Het vraagstuk van de afstemming van de keuringsverplichtingen in de drie gewesten van ons land is zonder meer actueel. Immers mogen bewoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vrij hun motorvoertuig laten keuren in de andere gewesten, waar de keuringsattesten twee, en niet slechts één jaar geldig blijven. Aldus lijkt er sprake te zijn van een concurrentieel nadeel voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen keuringsstations.

Een laatste politiek voornemen dat is opgenomen in het regeerakkoord, betreft de graduele wering van de zwaarste personenwagens, in een zogenaamde “Light and Safe zone”.

Tot slot wordt ook de instelling van een tweede autoloze zondag per jaar in het vooruitzicht gesteld vanaf 2027.

Conclusie

De nieuwe Brusselse regering lijkt het mobiliteitsbeleid van de afgelopen jaren aldus niet drastisch over een andere boeg te willen gooien.

Hoewel er wordt aangestuurd op een nieuw mobiliteitsplan na de Good Move-controverse, zijn de intenties van de nieuwe beleidsbepalers zo vaag geformuleerd dat daar op dit moment nog weinig uitspraken kunnen over worden gedaan.

Op vlak van veiligheid en parkeerbeleid wordt voortgebouwd op de bestaande beleidsmaatregelen, terwijl het principe van de lage emissiezone overeind blijft, ondanks de verzachting van het sanctiebeleid en een verruiming van de afwijkingsmogelijkheden.

Wat openbaar vervoer betreft, zal in principe de vinger op de knip worden gehouden, maar blijft het bestaande aanbod normaliter overeind.

Noemenswaardige vernieuwingen zijn het bijkomende jaarlijkse budget van 40 miljoen euro voor de herinrichting van gewestwegen en de openbare ruimte enerzijds, en de aankondiging van een Light and Safe zone, waarin de zwaarste personenwagens niet meer zouden worden toegelaten. Dat er vanaf 2027 een tweede autoloze zondag bijkomt, zal door velen ongetwijfeld met de glimlach worden onthaald, maar is (althans juridisch gezien) niet meer dan een bijkomstigheid.

Tot slot lijkt de Brusselse regering zich in het zog van de Vlaamse en Waalse Gewesten te willen nestelen, wat de instelling van een geharmoniseerd wegenvignet betreft. Dezelfde tendens lijkt zich aan te kondigen met betrekking tot de periodiciteit van de verplichte autokeuring.

Hoewel het Brusselse regeerakkoord bol staat van de lovenswaardige doelstellingen, is het koffiedik kijken of, en überhaupt met welke instrumenten en maatregelen, de nieuwe regering één en ander zal kunnen (en willen) realiseren op het gebied van mobiliteit. Na anderhalf jaar regeringsvorming, stelt zich op dit moment dan ook de vraag hoelang het Brusselse mobiliteitsbeleid nog ter plaatse zal blijven trappelen.

« Habemus un Gouvernement / een Regering » : premiers enseignements de la Déclaration de politique régionale du 13 février 2026 en matière d’urbanisme et d’aménagement du territoire

Après de longues négociations, la Région de Bruxelles-Capitale s’est enfin dotée d’un Gouvernement. La Déclaration de politique régionale du 13 février 2026 marque un accord attendu, notamment dans les matières de l’urbanisme et de l’aménagement du territoire.

À la lecture des développements consacrés à ces matières, deux axes se dessinent nettement : d’une part, des réformes structurelles visant à simplifier, rationaliser et sécuriser les procédures relatives aux autorisations urbanistiques et à la planification (A) ; d’autre part, un ensemble de mesures plus opérationnelles destinées à produire des effets concrets à court et moyen termes (B).

Xirius Public vous propose une première analyse sommaire de ces matières.

A.     Les mesures structurelles : vers une reconfiguration du cadre normatif

Poursuite de la réforme du RRU et du CoBAT

Le Gouvernement annonce la poursuite de la révision du Règlement Régional d’Urbanisme (RRU) ainsi qu’une réforme du Code bruxellois de l’Aménagement du Territoire (CoBAT) en ce qui concerne les procédures administratives.

L’objectif affiché est clair : simplifier les procédures d’octroi des permis d’urbanisme et « déverrouiller » le marché immobilier bruxellois.

La réforme du CoBAT pourrait ainsi conduire à une refonte des délais, des mécanismes de complétude, voire des modalités de participation du public (voyez ci-après).

Clarification des compétences entre Région et communes

Le Gouvernement prévoit une répartition des compétences selon l’ampleur des projets : les projets d’envergure seraient prioritairement traités au niveau régional, tandis que les projets de moindre importance relèveraient des communes.

Une telle clarification pourrait renforcer la lisibilité des compétences des autorités régionales dans les matières en cause, mais elle impliquera une adaptation des dispositions du CoBAT relatives à celles-ci.

 Vers un permis intégré et une rationalisation des incidences environnementales

Le Gouvernement annonce un regroupement des services régionaux compétents et la volonté d’instaurer un permis intégré lorsque le projet comporte à la fois un volet urbanistique et environnemental.

Cette orientation s’inscrit dans la continuité des logiques d’intégration déjà observées dans les autres entités fédérées.

Réforme des instruments planologiques

Le Gouvernement développera une vision stratégique 2030 renouvelée du développement territorial, visant à mieux articuler les besoins en logements, les impératifs environnementaux et les objectifs de développement économique.

La poursuite de la réforme du RRU et du Plan Régional d’Affectation du Sol (PRAS) est confirmée.

B.      Les mesures opérationnelles : accélération, allègement et responsabilisation

Les mesures plus concrètes annoncées traduisent notamment une volonté d’accélération et de rationalisation procédurale.

Allègement des obligations et extension des exonérations

L’élargissement des actes et travaux exonérés de permis ainsi que la suppression éventuelle de l’exigence de conformité au RRU sont envisagés.

Réforme des délais et digitalisation

L’automatisation de l’accusé de réception via MyPermit, la réduction du délai de vérification de complétude (de 45 à 20 jours, 30 jours pour les permis mixtes), l’obligation pour l’administration de lister en une seule fois les documents manquants et la réduction du délai pour l’analyse de la complétude du dossier à la suite d’un accusé de réception incomplet à 10 jours traduisent une volonté d’encadrer plus strictement l’action administrative.

Ces mesures visent notamment à renforcer la sécurité juridique des demandeurs et le Gouvernement annonce vouloir s’inscrire dans le principe « Only Once », visant à limiter la répétition des démarches administratives. Une modification de l’arrêté déterminant la composition du dossier de permis d’urbanisme est également envisagée.

Une mise à disposition via Brugis d’une nouvelle fonctionnalité permettant au public d’accéder, complètement et clairement, à toutes les réglementations applicables aux demandes de permis d’urbanisme pour une parcelle ou un quartier est également évoquée.

Le délai pour que le demandeur complète sa demande devrait également être réduit à 3 mois.

Rationalisation des réunions de projet

Le plafonnement du nombre de réunions, l’imposition d’un délai de convocation de 15 jours, l’obligation de procès-verbaux actant un consensus clair et l’engagement des pouvoirs publics sur les positions prises sont évoqués par le Gouvernement.

Participation du public et simplification des enquêtes publiques

La suppression de la suspension des enquêtes publiques durant les vacances scolaires et le remplacement de la Commission de concertation par une enquête unique pour les permis simples sont envisagés.

Le Gouvernement entend par ailleurs établir une définition stricte des « modifications substantielles » pour éviter la multiplication inutile des enquêtes publiques et avis en cours de procédure.

La définition de cette notion sera confrontée à la nécessité complexe d’être applicable à l’ensemble des projets ayant vocation à prendre place sur le territoire bruxellois. L’on s’interroge à cet égard sur la possibilité d’appréhender, au sein de cette notion déjà interprétée au cas par cas par la jurisprudence du Conseil d’Etat, l’ensemble des projets, dont la diversité ne manquera pas de donner du fil à retordre aux auteurs de la réforme.

Avis d’instances spécialisées

La suppression de l’avis conforme de la Commission Royale des Monuments et des Sites (CRMS) est évoquée. Il s’agit d’une réforme sensible qu’il faudra réaliser avec prudence eut égard au patrimoine architectural qui caractérise la Région de Bruxelles-Capitale.

Le Gouvernement envisage également la réintégration de l’avis du SIAMU dans le processus des demandes de permis.

La Déclaration Libératoire Unique Urbanistique (DLUU)

L’instauration d’une DLUU visant à régulariser, via une procédure simplifiée et moyennant indemnité forfaitaire, est prévue. Le Gouvernement entend notamment établir une liste des dérogations à la règlementation incluant les infractions urbanistiques répondant aux critères du bon aménagement des lieux.

Gel et sanctuarisation de certains sites

Le gel temporaire du développement de sites tels que Josaphat, Meylemeersch, Keyenbempt et Bois du Calevoet, ainsi que la sanctuarisation en « zone verte » des sites Wiels, Avijl et Donderberg, sont évoqués.

Réaffectation stratégique du site Audi et soutien à un nouveau stade

La réaffectation du site Audi en pôle économique, ainsi que le soutien à la Royale Union Saint-Gilloise pour l’implantation d’un nouveau stade au Bempt à Forest, illustrent la dimension économique et symbolique de la stratégie territoriale.

Ces dernières projections du Gouvernement en matière de planification devront être confrontée au récent jugement du tribunal de première instance francophone de Bruxelles du 29 octobre 2025 ordonnant « à la RBC de prendre les mesures nécessaires pour suspendre l’urbanisation et l’imperméabilisation des sites et terrains non bâtis de plus de 0,5 ha sur son territoire, et ce, jusqu’à l’adoption du PRAS dont la révision a été initiée par l’arrêté du gouvernement du 23 décembre 2021 et, au plus tard jusqu’au 31 décembre 2026 » (Tribunal de première instance de Bruxelles (FR) (4e ch.) – Jugement n° 24/885/A du 29 octobre 2025).

Cependant, une lecture attentive de l’accord de gouvernement montre que l’on semble partir du principe que le site Bempt ne relève pas du champ d’application du jugement rendu par le tribunal de première instance francophone.

Le Gouvernement semble par ailleurs annoncer la réalisation d’une circulaire interprétative de ce jugement.

Conclusion

La Déclaration de politique régionale du 13 février 2026 marque une volonté de rationalisation et d’optimalisation du droit bruxellois de l’urbanisme et de l’aménagement du territoire.

Entre simplification procédurale, recentralisation partielle, accélération des délais et innovations, le Gouvernement entend restaurer la prévisibilité et l’attractivité de la Région de Bruxelles-Capitale.

L’enjeu sera donc de concilier efficacité administrative et respect de la réglementation, parfois dépendante de normes européennes, dans un contexte bruxellois où la densité réglementaire a, somme toute, comme mérite de tenter de garantir le respect des droits de chacun, et de la notion moins juridique du « vivre-ensemble ».

Reste à voir de quelle manière ces déclarations seront implantées dans la règlementation bruxelloise.

Toute l’équipe de Xirius Public reste à votre disposition en cas de questionnement en lien avec les réformes annoncées par le Gouvernement bruxellois.

Xirius Public bespreekt het Brussels regeerakkoord voor u: kwaliteit boven kwantiteit? – klimaat, milieu & energie

Na maanden van onsuccesvolle onderhandelingen, is er finaal dan toch een Brusselse regering gevormd, onder leiding van nieuwe minister-president Boris Dilliès. En bij een nieuwe regering hoort vanzelfsprekend een regeerakkoord. Over dat regeerakkoord – dat pas na 6 dagen een officiële Nederlandstalige versie kende – zijn velen het eens: het is zeer beknopt.

In een reeks blogposts, waarvan deze het eerste luik vormt, gaat Xirius Public dieper in op de inhoud van dit akkoord en lichtten we enkele pertinente zaken eruit toe vanuit onze juridische expertise. Deze bijdrage focust op de beleidsdomeinen klimaat, milieu en energie.

Belangrijkste punten uit het regeerakkoord

Het regeerakkoord bevat onder titel 8 één enkele bladzijde die luidt “De milieu-, klimaat- en energie-uitdagingen aanpakken”. In eerste instantie wordt daarin verwezen naar het Europese klimaatbeleid, met name de Green Deal en de Klimaatwet, en het Klimaatakkoord van Parijs. Dit is vrij evident, nu niet alleen lidstaten als geheel, maar ook lokale en regionale besturen mee verantwoordelijk zijn voor de toepassing en handhaving van de regels die onder hun bevoegdheid ressorteren. De belangrijkste doelstelling die voortvloeit uit de Europese regelgeving is het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050.

Gebouwen

De Brusselse regering ziet in dat verband het meest potentieel in de energieprestaties van gebouwen, die verantwoordelijk zijn voor ongeveer 60% van de totale uitstoot, en stelt voorop een intensiever isolatiebeleid te willen voeren. Ze beschouwt de privésector daar als een belangrijke partner. Concreet worden de volgende zaken vermeld:

Opmerkelijk is dat bij geen enkele van deze punten enige verdere toelichting is opgenomen, waardoor het onduidelijk is op welke wijze, noch met welke budgetten de regering dit aspect zal aanpakken. Dit lijkt nochtans nodig, nu in het kader van onder meer de Green Deal op de lidstaten tevens de verplichting rust om te streven naar een emissievrij gebouwenbestand in 2050.

Bovendien wijst de Brusselse regering erop dat ongeveer 60% van de totale uitstoot in het Gewest toe te schrijven is aan slechte isolatie. Een effectief en efficiënt beleid inzake de isolatie (en energieprestatie) van gebouwen zal dus cruciaal zijn om voormelde doelstellingen te kunnen bereiken. Ten gevolge van het Renolution-dossier, dat leidde tot de tergend trage uitkering van renovatiepremies, heeft het Gewest er alvast alle baat bij opnieuw een debacle te vermijden en werk te maken van een betrouwbaar en stimulerend renovatiebeleid.

Dit is des te meer het geval aangezien de Europese Commissie, aan de hand van een recente beoordeling van het Belgische Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP) heeft geoordeeld dat verdere inspanningen en uitwerking van het NEKP vereist is om de Europese doelstellingen te bereiken. Specifiek met betrekking tot gebouwen is de Commissie scherp: er moet een duidelijk en geactualiseerd niveau van ambitie vastgesteld worden, met tussentijdse mijlpalen voor 2030 en 2040. Verder dienen er steunmechanismes op lange termijn opgezet worden en moet de elektrificatie van verwarming en de uitrol van warmtepompen bevorderd worden. Deze zaken zien we niet terugkomen in het Brusselse regeerakkoord. Sterker nog, er wordt zelfs niet verwezen naar het Gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan dat opgesteld werd door Leefmilieu Brussel. Of de inhoud van dit plan bijgetreden wordt, dan wel aangescherpt, is opnieuw een blinde vlek in het akkoord.

Op het eerste zicht lijken de aangekondigde maatregelen te suggereren dat aan de ordonnantie van 7 maart 2024 tot wijziging van de ordonnantie van 2 mei 2013 houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing met het oog op de implementatie van de strategie voor de renovatie van de gebouwen (BS 22 maart 2024) verder uitvoering zal worden gegeven. Dit is evenwel ver van evident. De ordonnantie, die energieverslindende gebouwen verbiedt, minimale EPB-eisen invoert voor nieuwe gebouwen en renovatieverplichtingen oplegt voor bestaande gebouwen, zorgde immers voor heel wat wrevel en tegenstand, aangezien de kosten die gepaard gaan met de nieuwe EPB-voorwaarden vaak onbetaalbaar zijn voor armere gezinnen. Over dat luik hult het nieuwe regeerakkoord zich evenwel in stilzwijgen. Het is dan ook koffiedik kijken hoe de aangekondigde beleidskeuze in de praktijk zal worden geïmplementeerd, evenals afwachten op welke wijze er in het licht van de penibele financiële situatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zal worden ingespeeld op de economische kant van het isolatie- en renovatieverhaal.

Overige beleidsaspecten

De rode draad doorheen het regeerakkoord, minstens met betrekking tot deze beleidsdomeinen blijkt het gebrek aan concretisering van maatregelen. Dit geldt namelijk ook ten aanzien van de andere beleidspunten die opgenomen zijn in het akkoord.

Zo wordt gesteld dat de productie van groene energie aangemoedigd wordt (“energiegemeenschappen, warmtenetten, biogasproductie enzovoort”), wederom zonder enige toelichting op welke wijze dit zal gebeuren. Idem dito wat betreft “innovatie door privébedrijven”. Over welke innovatie of technologische ontwikkeling het hier gaat, wordt niet gespecificeerd. Er is de loutere stelling dat dit gesteund zal worden door “de toepassing ervan te vereenvoudigen”. Het is dus gissen naar welke knelpunten geviseerd worden of in welke oplossingen voorzien zal worden.

Ook in dit kader zou op het eerste gezicht kunnen worden gedacht aan het uitdiepen van het bestaande juridische kader, dat vandaag gevormd wordt door ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een interpretatiegids van Brugel. Anderzijds zou ook het afstemmen van stedenbouwkundige voorschriften of, meer algemeen, het plannings- en vergunningenbeleid op de actuele energiecontext een mogelijke piste kunnen zijn. Met Ans Persoons komt op de post van Staatssecretaris voor Leefmilieu & Klimaat, Stadsvernieuwing, Erfgoed en Imago van Brussel alvast iemand met een duidelijke kennis van het Brusselse kader inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. The future will tell.

Een iets ruimere paragraaf bespreekt vervolgens de aanleg van openluchtzwemlocaties. Nog afgezien van de vraag in welke zin dit aspect kadert binnen klimaat, milieu of energie, stellen we ook hier vast dat het akkoord zich beperkt tot een louter engagement. Een verbintenis die “de aanleg van verscheidene openluchtzwemlocaties verder onderzoeken” overstijgt, is niet opgenomen.

Ook het drinkwaterbeheer is opgenomen in het regeerakkoord. De doelstelling daaromtrent lijkt tweeledig: de kwaliteit garanderen en kwetsbare mensen bescherming bieden. De belangrijke rol van Vivaqua wordt benadrukt en het Gewest verbindt zich ertoe een participatie daarin te nemen. Een opvallend stilzwijgen is er over PFAS en de aanpak die het Brussels Gewest daaromtrent zal voeren.  

Het laatste punt opgenomen in het regeerakkoord wat betreft het beleidsdomein milieu, klimaat en energie is een brandend actueel thema: de strijd tegen geluidsoverlast door vliegtuigen. Het regeerakkoord is gelimiteerd tot de stelling dat dit aspect voor alle partners een prioriteit is en houdt het diplomatisch door te stellen dat rekening gehouden zal worden met alle gezondheids- en economische aspecten. In welke richting het beleid zal evolueren, valt dus nog af te wachten. In ieder geval zal dit geen eenvoudige oefening zijn, aangezien deze problematiek niet enkel op gewestelijk, maar ook op gemeentelijk niveau speelt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De belangen van de Brusselse gemeenten zijn in dat kader ook niet steeds gelijklopend. Dat er recent opnieuw veel klachten ingediend zijn in verband met het vlieglawaai boven het noorden van Brussel, zal staatssecretaris Ans Persoons alvast aan het werk zetten.

Conclusie

Het Brusselse regeerakkoord kaart enkele belangrijke problematieken aan met betrekking tot de thema’s klimaat, energie en milieu. Echter kunnen uit het akkoord zelf slechts zeer weinig concrete acties afgeleid worden. Louter kwantitatief is het regeerakkoord zeer summier, en al helemaal wat betreft dit thema. Dit staat in schril contrast met de regeerakkoorden van de Vlaamse en Waalse regeringen. Zeker het Vlaamse regeerakkoord bevat een pak meer concrete doelstellingen en maatregelen.

In de inleiding van het Brussels regeerakkoord wordt terecht gewezen op het feit dat reeds veel tijd verstreken is sinds de verkiezingen. Hoewel de ambitie wordt uitgesproken om een concreet beleid te voeren, zal deze niet blijken uit de tekst van het regeerakkoord. Het is bijgevolg afwachten wat de komende 3,5 jaar zal brengen voor het Brussels Gewest, des te meer nu zij prioritair haar begroting op orde dient te stellen tegen 2029.

Raad voor Vergunningsbetwistingen lijnt de contouren van de goede ruimtelijke ordeningstoets bij windprojecten verder af

Met een arrest van 19 februari 2026 schorste de Raad voor Vergunningsbetwistingen een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van drie windturbines langs E19 te Brecht. De Raad oordeelde in zijn arrest dat de Vlaamse Regering op het eerste gezicht niet concreet en zorgvuldig zou hebben gemotiveerd waarom de aangevraagde nieuwe en grotere windturbines verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening in het licht van de schaal, het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen (RvVb 19 februari 2026, nr. RvVb-S-2526-0514, X).

Hoewel het windpark in Brecht geen repoweringsproject betreft, is het arrest van 19 februari 2026 bijzonder interessant. De Raad voor Vergunningsbetwistingen geeft immers enigszins aan op welke wijze de Vlaamse Regering de toets aan de goede ruimtelijke ordening voor dergelijke projecten naar de toekomst toe zal moeten uitvoeren. Redenen genoeg dus om aan het arrest een blogpost te wijden.

Brechtse branie geeft aanleiding tot schorsing

Begin april 2025 dient een ontwikkelaar een omgevingsvergunningsaanvraag in voor de bouw en exploitatie van een windpark bestaande uit drie windturbines. De bedoeling van de ontwikkelaar is erin gelegen om drie bestaande windturbines met een tiphoogte van 150 m af te breken en te vervangen door drie nieuwe en krachtigere turbines met een maximale tiphoogte van 240 meter. Twee van de nieuwe windturbines worden opnieuw ingeplant langs de E19 (ongeveer op de locatie van twee van de af te breken windturbines), terwijl een derde windturbine verder weg van de E19 wordt voorzien.

De aanvraag wordt gunstig beoordeeld en op 3 oktober 2025 verleent de Vlaamse Minister van Omgeving een omgevingsvergunning. Enkele inwoners van de gemeente Brecht trekken evenwel hun Don Quichoteschoenen aan en leggen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen een verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing neer.

In het kader van de beoordeling van het schorsingsverzoek komt de Raad tot de conclusie dat er in hoofde van de omwonenden sprake is van hoogdringendheid. De omstandigheden dat de windturbines snel zouden kunnen worden gebouwd en dat de slagschaduw- en visuele hinder die de vergunde windturbines zullen genereren aanleiding dreigen te geven tot een aanzienlijke verzwaring van de bestaande ongemakken, kwalificeert de Raad immers als ernstige nadelige gevolgen die de aangevoerde hoogdringendheid kunnen staven.

Ook aan het vereiste dat er sprake moet zijn van minstens één ernstig middel wordt naar mening van de Raad voldaan. Op het gebied van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening schiet de beslissing van de minister van Omgeving naar mening van de Raad namelijk ernstig tekort.

Met betrekking tot de toetsing aan het beoordelingscriterium ‘schaal’, staat in de vergunning het volgende te lezen:

“Er wordt door dit project geen belangrijk verkleinend effect verwacht op de aanwezige landschappelijke structuren en elementen. De autosnelweg E19 en de HSL doorsnijden een open gevarieerd landschap dat reeds gekenmerkt wordt door verschillende operationele windturbines, deze windturbines vormen al een belangrijke infrastructurele barrière doorheen het landschap. De 3 nieuwe windturbines vervangen 3 bestaande windturbines in het landschap en sluiten qua schaal en opbouw aan bij het landschap. Het project overschrijdt de schaal en de opbouw van het gebied en de omliggende gebieden niet. De op te richten windturbines passen in het beeld van energielandschap langs de autosnelweg E19.”

De toelichting acht de Raad voor Vergunningsbetwistingen manifest onvoldoende in het licht van de onderzoeks- en motiveringsplicht die er in het kader van de goede ruimtelijke ordeningstoets op de vergunningverlenende overheid rust. De Raad zet in dat kader het volgende uiteen:

“Uit deze alinea blijkt op het eerste gezicht geen concrete beoordeling van de schaal van de nieuwe windturbines. Met haar beknopte motivering gaat de verwerende partij voorbij aan zowel het feit dat de aanvraag windturbines van een andere grootteorde bevat dan de drie bestaande windturbines als aan het feit dat WT3 op een gewijzigde plaats wordt ingeplant, met name veel verder van de E19 en de hogesnelheidslijn en in open landbouwlandschap. Aan de vraag of de schaal in het licht van die gewijzigde omstandigheden nog aanvaardbaar is, besteedt de verwerende partij geen aandacht. Nochtans rustte er op de verwerende partij op het eerste gezicht een verscherpte motiveringsverplichting in het licht van de bezwaren van de verzoekende partijen en het ongunstige advies van de tweede tussenkomende partij, waarin werd gewezen op deze gewijzigde omstandigheden.”

Ook de toelichting bij het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen acht de Raad vervolgens ontoereikend, aangezien de vergunningverlenende overheid zich zou beperkt hebben tot een beschrijving van de nieuwe windturbines, zonder uiteen te zetten waarom de nieuwe constructies – en zeker windturbine in open landbouwgebied – zich in de omgeving zouden integreren.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen besluit dan ook tot het ernstig karakter van het middel en schorst op 19 februari 2026 de vergunning voor het windproject.

De goede ruimtelijke ordeningstoets

Artikel 4.3.1., §1, eerste lid, 1°, d) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) stelt dat een vergunning wordt geweigerd indien het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.

Concreet veronderstelt het onderzoek van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening dat dat de vergunningverlenende overheid afdoende motiveert waarom het aangevraagde in zijn specifieke context past. Iedere omgeving heeft immers zijn eigen specifieke kenmerken, zodat het niet eenvoudig is om algemene regels vast te stellen over wat nu juist een goede ruimtelijke ordening voor een specifieke omgeving inhoudt.

Met betrekking tot de goede ruimtelijke ordeningstoets worden in de VCRO enkele criteria bepaald waaraan de overheid een aanvraag moet toetsen. Concreet gaat dit om de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten, het bodemreliëf, en op de hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen.

Indien na een toetsing van een project aan één of meerdere van deze criteria blijkt dat een aanvraag ongunstige on aanvaardbare effecten genereert, moet het project wegens strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening worden geweigerd.

De beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in het kader van windprojecten

Specifiek met betrekking tot vergunningsaanvragen voor windturbines is omzendbrief OMG/2025/01 ‘afwegingskader en randvoorwaarden voor de oprichting van windturbines’ van toepassing. Hoewel deze omzendbrief geen verordenend karakter heeft en een schending ervan op zich niet kan leiden tot de onwettigheid van een vergunning, biedt hij wel een afwegingskader voor het ruimtelijk (vergunnings)beleid met betrekking tot windturbines. Meer bepaald heeft de omzendbrief als doel een kader te scheppen “voor de optimale inplanting van windturbines voor een zo groot mogelijke productie van groene stroom om op die manier bij te dragen tot een duurzame energietransitie en een gedragen ontwikkeling van windenergie”.

De principes in omzendbrief OMG/2025/01 vormen in het kader van de vergunningverlening een algemene gedragslijn die de Vlaamse Regering heeft uitgezet. Daarmee veruitwendigt ze de wijze waarop de beoordeling van de verenigbaarheid van windturbines met de goede ruimtelijke ordening in beginsel zal gebeuren en welke elementen over het algemeen in beschouwing worden genomen om de ruimtelijke inpasbaarheid van dergelijke projecten af te wegen. Ook al heeft deze omzendbrief geen verordenend karakter, toch kan hij worden beschouwd als een beleidsmatig gewenste ontwikkeling, nu de overheid, om eenvormigheid te brengen in haar beleid en haar beslissingen, dergelijk beleid mag uitschrijven in een omzendbrief.

Wat de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening betreft, kan een vergunningverlenende overheid zich richten bijgevolg naar het door de omzendbrief aangereikte afwegingskader.

Dit betekent evenwel niet dat de toetsing van een aangevraagd project aan de goede ruimtelijke ordening kan worden beperkt tot een louter formalistische toetsing aan de in de omzendbrief opgenomen randvoorwaarden. De vergunningverlenende overheid moet het aangevraagde immers aan een concrete beoordeling onderwerpen.

Richtinggevende rechtspraak voor repoweringsprojecten

In het kader van de motivering van de omgevingsvergunning voor het windproject in Brecht beperkte de vergunningverlenende overheid zich m.b.t. de beoordeling van het criterium ‘schaal’ op het eerste gezicht tot een al te formele toetsing aan de omzendbrief OMG/2025/01. Daarin staat onder meer het volgende te lezen:

“In bepaalde grootschalige landschappen zullen grote windturbines veeleer ervaren worden als een aanvulling op het landschap. Windturbines zijn inmiddels ook tot het normale landschapsbeeld gaan behoren, zeker in de nabijheid van grote infrastructuren. Daar gelden zij als markeerders in het landschap. Bij de beoordeling van de impact van windturbines op het landschap, wordt in beginsel uitgegaan van een positieve benadering, dit tegen de achtergrond van de noodzakelijke energietransitie en de beleidsdoelstellingen inzake hernieuwbare energie.”

De minister leek er dienaangaande van uit te gaan dat er zich op het vlak van schaal geen probleem zou voordoen, aangezien het project betrekking heeft op de vervanging van bestaande windturbines, er zich in de omgeving heel wat andere molenwiekers bevinden en er reeds sprake is van een energielandschap in de buurt van grootschalige infrastructuren.

Vergelijkbare standpunten lijken in het licht van de nieuwe rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet langer mogelijk. In het besproken arrest komt de Raad namelijk tot de conclusie dat, zelfs al is er sprake van een vervanging, steeds een correcte schaalanalyse moet worden gemaakt wanneer bestaande windturbines worden omgeruild voor grotere exemplaren. Het feit dat er zich in de buurt reeds andere windturbines bevinden, doet daaraan geen afbreuk. Ook in dat geval lijkt de Raad immers te stellen dat er een verduidelijking dient plaats te vinden omtrent de redenen waarom de grotere windturbines qua schaalgrootte niet problematisch zijn in vergelijking met overige aanwezige windturbines en waarom de grotere afmetingen van de nieuwe windturbines op het gebied van de hinder die zij genereren vanuit goede ruimtelijke ordeningsoogpunt aanvaardbaar zijn.

Bovendien lijkt het besteden van de nodige aandacht aan de beoordelingscriteria die betrekking hebben op de goede ruimtelijke ordening des te belangrijker wanneer windturbines n.a.v. een vervanging op een andere locatie worden voorzien. Ervan uitgaan dat het vervangen van een windturbine op een licht gewijzigde locatie in het licht van de goede ruimtelijk ordening zomaar mogelijk is, lijkt nog weinig plausibel.

Windexploitanten die naar de toekomst voorzien om bestaande projecten te repoweren, houden in het kader van de opmaak van hun lokalisatienota’s, landschapsstudies en overige aanvraagdocumenten maar beter rekening met deze nieuwbakken rechtspraak. De bevindingen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest van 19 februari 2026 zijn immers mutatis mutandis van toepassing voor dergelijke projecten, waarbij bestaande windturbines worden vervangen door grotere, krachtigere exemplaren, zij het weliswaar meestal op nagenoeg dezelfde locatie en/of percelen.

Om te vermijden dat repoweringsprojecten de toets aan de goede ruimtelijke ordening niet zouden doorstaan, kan het belang van een onderbouwd en afdoende gestoffeerd aanvraagdossier dan ook niet worden onderschat.

Voor verdere vragen of inzichten in dat verband staan de advocaten van Xirius uiteraard steeds te uwer beschikking.